Halverwege de ochtend begaven Klaus en ik ons naar de universiteit voor een ontmoeting met professor Chedenko. Een beleefde, enigszins vermoeide man van gevorderde leeftijd, die ons ontving in een stoffige kamer vol boeken en vergeelde documenten. Hij bevestigde wat wij al vermoedden: een object dat in alle opzichten overeenkwam met het hoofd van het Sedefkar Simulacrum bevond zich in opslag. Zijn hand reikte naar zijn slaap, waar een bonzende hoofdpijn hem scheen te kwellen. Het was slechts een symptoom, maar voor mij een bevestiging. Dat ding was werkelijk daar.
Hij leidde ons naar de bovenverdieping van het gebouw, waar een zware, vergrendelde houten deur toegang bood tot het archief. Nog voor de sleutel het slot bereikte, hoorden wij tumult vanachter de deur. Klaus en ik trokken onmiddellijk onze wapens.

De deur zwaaide open en we aanschouwden een pandemonium. Drie mannen in duistere gewaden — hun gezichten verborgen achter maskers die als gelooide mensenhuid leken. De vloer lag bezaaid met omvergetrokken archiefkasten, opengebroken kisten, en lichamen. Eén medewerker was reeds onthoofd, bloed gutste uit zijn hals alsof zijn leven nog niet doorhad dat het voorbij was. Twee anderen lagen op de grond, de ene stil, de andere spartelend onder de meedogenloze slagen van een cultist met een knuppel. Bij het raam stond een cultist, al bezig naar buiten te glijden langs een touw, een juten zak onder zijn arm. Daarin — daar twijfelden we niet aan — bevond zich het hoofd.
Er werd niet getwijfeld. Klaus en ik openden het vuur. Wat volgde was een veldslag in miniatuur. Een van de cultisten wierp een handgranaat onze kant op. Klaus kon dekking zoeken, ik werd geraakt door scherven. Professor Chedenko had minder geluk. Zijn lichaam werd verbrijzeld, zijn bloed spatte als een macabere paraaf op de boeken die hij ooit liefhad.
Wat volgde was een vuurgevecht van de ruwste soort. Pistolen, shotguns, kreten. Ondanks dat ik nu nog slechts een enkel oog bezit, wist ik herhaaldelijk doel te treffen. Klaus, met zijn gebruikelijke flair, stuntelde met zijn shotgun. Toen de rook optrok lagen twee cultisten dood. De derde was ontsnapt, met het hoofd, in een auto die ik herkende uit mijn visioenen. Slechts één medewerker overleefde, al was hij nauwelijks bij kennis. Hij fluisterde iets over mannen “met schouders die niet van hen waren” voor hij wegzakte in een coma.
De politie arriveerde spoedig, onder leiding van majoor Christova. Hij wisselde een blik met ons die meer zei dan woorden en begeleidde ons naar een auto. Via een omweg — om eventuele volgers te misleiden — werden wij naar een bakkerij gebracht die fungeerde als zijn geheime hoofdkwartier.
Daar ontvouwde zich de ware aard van hun strijd. The Butchers, zoals de politie hen noemde — maar wij kenden hen onder een andere naam. The Brothers of the Skin. Wat volgde was een uitwisseling van informatie. Maar midden in mijn relaas stokte mijn stem. Een visioen overspoelde mij.
Ik zag de grot. Ik zag de cultisten. Ik zag de duisternis die hen overspoelde. En uit die duisternis sloeg een schaduw toe, met onmenselijke snelheid en kracht. Het velde lichaam na lichaam. Het laatste wat ik zag was die schaduw die op mij afkwam en vervolgens werd, en bleef, het zwart. Ondanks dat ik niet duidelijk had kunnen zien voor entiteit het betrof, had ik een vermoeden. Fenalik.
Toen ik het deelde, schoot het hoofdkwartier in beweging. Dankzij mijn visioenen wist Christova waar we moesten zijn. De grotten van Iskur. De locatie van de cultisten. En het hoofd.

Bij de ingang van de grot aangekomen, diep in de nacht, vonden wij een verlaten post — voertuigen, een machinegeweer. Maar geen levende ziel. Alleen stilte. We trokken onze wapens en zaklampen en betraden de grot, begeleid door de geur van zwavel. Even verderop veranderde die. De geur van de dood, ons inmiddels welbekend.
We betraden de immense “kathedraal” van de grot, waar ik ook mijn visioenen glimpen van had opgevangen. Middenin die ruimte bevond zich een bouwwerk dat de magen van Christova en de andere agenten direct deed omkeren: een immense piramide van mensenhoofden, wel zeven meter hoog. Hoe het niet instortte was me een raadsel, en hoeveel mensen het leven hadden moeten laten om deze te bouwen…ik wil niet eens een schatting doen. Verder was het doodstil, op het geluid van vallende waterdruppels na.
De vloer lag bezaaid met lichamen van cultisten. Opvallend was dat, ondanks hun verwondingen, er verdacht weinig bloed te zien was. Verschillende lichamen bleken ledematen te hebben die waren aangenaaid en al in verschillende staten van ontbinding waren. Tussen hen vond ik het lichaam van degene die mijn oog had gedragen. Dat leek met een onnatuurlijke snelheid te zijn weggerot in de schedel en er was niet veel meer van over dan een grauwe rottende bol.

Achterin lag een figuur, arm uitgestrekt naar een smalle opening in de rotswand. Onder luid protest van Klaus stak in mijn arm erin om te voelen wat zich er achter bevond. Het was een schedel, het hoofd van het Sedefkar Simulacrum, en erop… een bolletje knoflook. Bescherming tegen Fenalik.
En opeens was het gedaan met de stilte. En met de lijken. Een kreet vanuit de andere kant van de grot klonk. We werden aangevallen. De lijken bleken bleken weer tot leven te zijn gekomen en vielen ons aan. Fenalik, wie anders, had ze tot zijn macabere marionetten gemaakt om met ons af te rekenen. De methode waarop wij vermoedden vampieren te bevechten hadden we echter niet bij ons en onze enige redding was het daglicht.
Een hopeloze race naar de uitgang begon. Onderweg hoorden Klaus en ik dat een voor een de agenten, en ook Christova, werden gegrepen door de monsters. Alleen Klaus en ikzelf wisten levend de uitgang te bereiken. Buiten gloorde de dageraad, en daarmee onze redding. We startten een auto en reden verbijsterd terug naar Sofia.
Alle onderdelen van het Sedefkar Simulacrum zijn nu in ons bezit. Ze liggen in de koffer. Compleet. We voelden de drang om het samen te stellen. De verleiding was echt. Tastbaar. Maar we weerstonden. Het doel is vernietiging, niet voltooiing. Hoe, dat weten we nog niet, maar hopelijk wacht het antwoord in Istanbul.
Aan het begin van de avond vertrekt de Oriënt Express naar haar laatste halte. Wij bereiden ons voor op wat mogelijk gaat komen. Met bollen knoflook in onze kleding en de koffer, houten staken in onze jassen. En hoop in onze zakken. Wat er nog van over is, althans.























