Het simulacrum compleet

Halverwege de ochtend begaven Klaus en ik ons naar de universiteit voor een ontmoeting met professor Chedenko. Een beleefde, enigszins vermoeide man van gevorderde leeftijd, die ons ontving in een stoffige kamer vol boeken en vergeelde documenten. Hij bevestigde wat wij al vermoedden: een object dat in alle opzichten overeenkwam met het hoofd van het Sedefkar Simulacrum bevond zich in opslag. Zijn hand reikte naar zijn slaap, waar een bonzende hoofdpijn hem scheen te kwellen. Het was slechts een symptoom, maar voor mij een bevestiging. Dat ding was werkelijk daar.

Hij leidde ons naar de bovenverdieping van het gebouw, waar een zware, vergrendelde houten deur toegang bood tot het archief. Nog voor de sleutel het slot bereikte, hoorden wij tumult vanachter de deur. Klaus en ik trokken onmiddellijk onze wapens.

De deur zwaaide open en we aanschouwden een pandemonium. Drie mannen in duistere gewaden — hun gezichten verborgen achter maskers die als gelooide mensenhuid leken. De vloer lag bezaaid met omvergetrokken archiefkasten, opengebroken kisten, en lichamen. Eén medewerker was reeds onthoofd, bloed gutste uit zijn hals alsof zijn leven nog niet doorhad dat het voorbij was. Twee anderen lagen op de grond, de ene stil, de andere spartelend onder de meedogenloze slagen van een cultist met een knuppel. Bij het raam stond een cultist, al bezig naar buiten te glijden langs een touw, een juten zak onder zijn arm. Daarin — daar twijfelden we niet aan — bevond zich het hoofd.

Er werd niet getwijfeld. Klaus en ik openden het vuur. Wat volgde was een veldslag in miniatuur. Een van de cultisten wierp een handgranaat onze kant op. Klaus kon dekking zoeken, ik werd geraakt door scherven. Professor Chedenko had minder geluk. Zijn lichaam werd verbrijzeld, zijn bloed spatte als een macabere paraaf op de boeken die hij ooit liefhad.

Wat volgde was een vuurgevecht van de ruwste soort. Pistolen, shotguns, kreten. Ondanks dat ik nu nog slechts een enkel oog bezit, wist ik herhaaldelijk doel te treffen. Klaus, met zijn gebruikelijke flair, stuntelde met zijn shotgun. Toen de rook optrok lagen twee cultisten dood. De derde was ontsnapt, met het hoofd, in een auto die ik herkende uit mijn visioenen. Slechts één medewerker overleefde, al was hij nauwelijks bij kennis. Hij fluisterde iets over mannen “met schouders die niet van hen waren” voor hij wegzakte in een coma.

De politie arriveerde spoedig, onder leiding van majoor Christova. Hij wisselde een blik met ons die meer zei dan woorden en begeleidde ons naar een auto. Via een omweg — om eventuele volgers te misleiden — werden wij naar een bakkerij gebracht die fungeerde als zijn geheime hoofdkwartier.

Daar ontvouwde zich de ware aard van hun strijd. The Butchers, zoals de politie hen noemde — maar wij kenden hen onder een andere naam. The Brothers of the Skin. Wat volgde was een uitwisseling van informatie. Maar midden in mijn relaas stokte mijn stem. Een visioen overspoelde mij.

Ik zag de grot. Ik zag de cultisten. Ik zag de duisternis die hen overspoelde. En uit die duisternis sloeg een schaduw toe, met onmenselijke snelheid en kracht. Het velde lichaam na lichaam. Het laatste wat ik zag was die schaduw die op mij afkwam en vervolgens werd, en bleef, het zwart. Ondanks dat ik niet duidelijk had kunnen zien voor entiteit het betrof, had ik een vermoeden. Fenalik.

Toen ik het deelde, schoot het hoofdkwartier in beweging. Dankzij mijn visioenen wist Christova waar we moesten zijn. De grotten van Iskur. De locatie van de cultisten. En het hoofd.

Bij de ingang van de grot aangekomen, diep in de nacht, vonden wij een verlaten post — voertuigen, een machinegeweer. Maar geen levende ziel. Alleen stilte. We trokken onze wapens en zaklampen en betraden de grot, begeleid door de geur van zwavel. Even verderop veranderde die. De geur van de dood, ons inmiddels welbekend.

We betraden de immense “kathedraal” van de grot, waar ik ook mijn visioenen glimpen van had opgevangen. Middenin die ruimte bevond zich een bouwwerk dat de magen van Christova en de andere agenten direct deed omkeren: een immense piramide van mensenhoofden, wel zeven meter hoog. Hoe het niet instortte was me een raadsel, en hoeveel mensen het leven hadden moeten laten om deze te bouwen…ik wil niet eens een schatting doen. Verder was het doodstil, op het geluid van vallende waterdruppels na.

De vloer lag bezaaid met lichamen van cultisten. Opvallend was dat, ondanks hun verwondingen, er verdacht weinig bloed te zien was. Verschillende lichamen bleken ledematen te hebben die waren aangenaaid en al in verschillende staten van ontbinding waren. Tussen hen vond ik het lichaam van degene die mijn oog had gedragen. Dat leek met een onnatuurlijke snelheid te zijn weggerot in de schedel en er was niet veel meer van over dan een grauwe rottende bol.

Achterin lag een figuur, arm uitgestrekt naar een smalle opening in de rotswand. Onder luid protest van Klaus stak in mijn arm erin om te voelen wat zich er achter bevond. Het was een schedel, het hoofd van het Sedefkar Simulacrum, en erop… een bolletje knoflook. Bescherming tegen Fenalik.

En opeens was het gedaan met de stilte. En met de lijken. Een kreet vanuit de andere kant van de grot klonk. We werden aangevallen. De lijken bleken bleken weer tot leven te zijn gekomen en vielen ons aan. Fenalik, wie anders, had ze tot zijn macabere marionetten gemaakt om met ons af te rekenen. De methode waarop wij vermoedden vampieren te bevechten hadden we echter niet bij ons en onze enige redding was het daglicht.

Een hopeloze race naar de uitgang begon. Onderweg hoorden Klaus en ik dat een voor een de agenten, en ook Christova, werden gegrepen door de monsters. Alleen Klaus en ikzelf wisten levend de uitgang te bereiken. Buiten gloorde de dageraad, en daarmee onze redding. We startten een auto en reden verbijsterd terug naar Sofia.

Alle onderdelen van het Sedefkar Simulacrum zijn nu in ons bezit. Ze liggen in de koffer. Compleet. We voelden de drang om het samen te stellen. De verleiding was echt. Tastbaar. Maar we weerstonden. Het doel is vernietiging, niet voltooiing. Hoe, dat weten we nog niet, maar hopelijk wacht het antwoord in Istanbul.

Aan het begin van de avond vertrekt de Oriënt Express naar haar laatste halte. Wij bereiden ons voor op wat mogelijk gaat komen. Met bollen knoflook in onze kleding en de koffer, houten staken in onze jassen. En hoop in onze zakken. Wat er nog van over is, althans.

Nog heel genoeg

Ik zou verdriet moeten voelen. Of iets wat erop lijkt. Er is mij tenslotte wederom iets afgenomen. Als kind likten de vlammen ons huis tot zwartgeblakerd puin. De brand roofde mijn ouders, mijn jeugd en mijn rechteronderarm — alsof het vuur een offer vroeg en nam wat het wilde. Wat achterbleef was stilte. Pijn. De geur van verschroeide herinneringen.

Nu, jaren later, is het mijn linkeroog dat mij is ontnomen. Niet door vuur, maar door iets wat zich ophoudt in de scheuren van de werkelijkheid. Een afschuwelijk ding, niet meer dan een hand — en toch zó doelgericht, zó doordrenkt van intentie. Gestuurd door de duistere wil van onze vijand.

Het geluid zal mij eeuwig achtervolgen: een natte, zuigende plop — alsof een onrijpe vrucht toch werd geplukt. Daarna de pijn. Toen het zwart.

Maar het is niet de pijn die blijft hangen.

Het is de stilte die erop volgde. Geen woede. Geen paniek. Geen verdriet. Alleen een vreemde kalmte, een afstandelijke observatie, alsof ik toekijk hoe het een ander overkomt. Word ik gek? Of ben ik slechts afgestompt door alles wat ik heb gezien: de ontheiligende geschriften, de godslasterlijke wezens, de mannen die terugkeerden uit de loopgraven met ledematen van hout en staal en ogen die nooit meer knipperden.

Soms vrees ik dat ik dezelfde weg op ga als zij die vóór mij te veel zagen en hun verstand kwijtraakten. Zij die iets te dicht bij de kosmische structuren kwamen waar wij slechts als motten omheen fladderen.

Sinds Vinkovci staat mijn geest op een hellend vlak. De dromen. De gezichten. Visioenen van ingestorte zuilen, van vlees dat woekert onder steden als wortels van een vergeten god. En nu dit oog — míjn oog — dat ergens anders is en mij dingen doet zien die ik niet behoor te zien. Wie is Mary O’Sullivan nog, als zelfs haar blik door een ander wordt gedragen?

Misschien huil ik morgen. Of overmorgen. Misschien nooit meer.

Tot die tijd ga ik door. Ik moet wel. Voor mezelf. Voor Klaus. Voor de missie die haar einde nadert. Als ik hard ben geworden, is dat niet uit keuze, maar uit noodzaak.

En als dit slechts het begin is — als er nog meer van mij wordt geëist — een been, mijn andere hand, mijn gelaat — laat het dan zo zijn. Het doet er niet toe. Zolang ik mijn geest behoud. Zolang ik de woorden nog kan lezen, de patronen kan herkennen, en niet over de rand tuimel zoals zovelen vóór mij. Zolang ik nog weet wie ik ben, wat ik zoek en waarom…

…ben ik nog heel genoeg.

Oculum Maledictum

Bij aankomst in Sofia werden Klaus en ik onmiddellijk onderworpen aan een ondervraging door een zekere majoor Christova. Hij wilde alles weten over de cultist en de vermoorde ober met de afgehakte hand. Opmerkelijk was dat hij geen moment zijn wenkbrauwen optrok bij het horen van dat detail. Blijkbaar te alledaags, hier.

Men blijkt in Sofia al langer geplaagd door een gewelddadige groepering die binnen de politie kringen bekendstaat als The Butchers. Geen poëtische bijnaam — wel een akelig treffende. Hun slachtoffers worden zelden in één geheel teruggevonden. Christova vermoedde cultistische activiteiten, rituelen, ledematen als offers. Het leek mij weinig vergezocht. En, zoals later bleek, had hij gelijk.

Buiten wachtte Dr. Radko Jordanov ons op, netjes in zijn jas, naast zijn auto. De zon was reeds onder, de stad baadde in de winterkou. We waren uitgeput en verlangden slechts naar onze hotelkamer in het Hôtel de la Bulgarie. Jordanov was vriendelijk genoeg om ons zijn wagen ter beschikking te stellen, mocht dat nodig zijn. Na een verrassend goede filet mignon op onze kamer — de realiteit blijft soms heerlijk banaal — hoopten wij eindelijk op een nacht zonder incidenten.

Die hoop was ijdel.

Ik werd gewekt door een geluid. Niet luid, maar scherp. Alsof iets kleins, ter grootte van een rat, op de vloer landde. In het bleke maanlicht zag ik een schaduw wegschieten — klein, snel. Mijn hart schoot omhoog. Ik gleed uit bed, met mes in mijn hand voor ik goed en wel besefte wat ik deed. Wat zich toen voltrok, lijkt met terugwerkende kracht haast belachelijk — ware het niet zo gruwelijk geweest.

Een ontlichaamde hand sprong uit het duister op mijn gezicht af. Niet lang daarna hoorde ik het ploffen van een tweede. Als in een waanzinnige pantomime vocht ik terug, sloeg, stak, duwde. Ik riep Klaus om hulp, maar uit de kamer naast de mijne hoorde ik eenzelfde geluiden — van een situatie vergelijkbaar in aard, vermoedde ik direct.

Uiteindelijk slaagde ik erin de twee handen zodanig te verwonden dat ze zich terugtrokken. Precies op dat moment stoof Klaus mijn kamer binnen — poedelnaakt, bloedend, pistool in de hand. De tussenliggende deur werd met een klap achter hem dichtgetrokken. Hij had ook bezoek gehad.

Een derde hand, die via een luchtrooster zijn kamer probeerde binnen te dringen, werd door Klaus genadeloos neergeschoten. Er bleef er nog één over. Die bevond zich nog in zijn kamer. Ik twijfelde geen moment en stormde naar binnen.

Had ik dat maar niet gedaan.

Misschien was het de uitputting. Of gewoon pech. Maar deze laatste hand was sneller dan ik. Ze sprong op mijn gezicht en klauwde. Ik voelde vingers achter mijn oog duwen, alsof ze zochten naar een greep. En toen — met een zompige, huiveringwekkende plop — werd mijn oogkas leeggerukt. Pijn. Waanzin. Verbijstering. Ik zag nog net hoe het wezentje zich met mijn oog uit de voeten maakte.

We werden per ommegaande naar het hospitaal vervoerd. Ik, met mijn verwrongen gezicht en lege kas. Klaus, gehavend en bebloed.

Terwijl de morfine mijn aderen indreef en mijn pijn dofde, werd mijn geest wakker op een andere plaats. Een visioen. Ik zag hoe mensen door een steeg renden. Naar een stilstaande auto, die met een piepende draai wegreed. Maar ik was er ook. Ik keek mee. Of beter: ík keek. Door ogen die niet de mijne waren — en toch… wel.

Er volgden meer beelden. Een rit de stad uit. Bergpassen. Een druipsteengrot. Donkere gewaden. Prehistorische muurschilderingen met Romeinse cijfers. En de afschuwelijke zekerheid dat mijn gestolen oog daar was — en nu diende als venster voor iemand anders. Waarom?

Het zou logisch zijn geweest om in het hospitaal te blijven. Onze verwondingen vereisten rust, aandacht. Maar logica is een luxe die we ons zelden kunnen veroorloven. We hadden een afspraak met Dr. Jordanov over het manuscript van Ivo Penev. Tegen het advies van elke arts en zuster in, verlieten Klaus en ik het ziekenhuis.

Zijn kantoor bleek een chaos van papieren, boeken en oude spullen. En toch was het Klaus die — alsof het lot hem bijstond — vrijwel direct het manuscript vond. Ivo Penev had zich verdiept in het hoofd van het afgodsbeeld. Zijn werk had de toon van een occult traktaat. Maar het bood aanwijzingen. Het hoofd waar wij naar op zoek waren zou zich, als de geschriften klopten, hier aan de universiteit bevinden. Onder toezicht van een zekere professor Chedenko.

Met enige tegenzin besloten Klaus en ik tot een korte, maar toch ook noodzakelijke adempauze. Het weekend was begonnen, de universiteit gesloten. En wij — verwond, vermoeid, verward — moesten ademhalen. Twee dagen rust, die hemel zij dank verliepen zonder incidenten.

Het is nu maandag. Klaus en ik zijn klaar om te vertrekken naar de universiteit. Misschien vinden we het artefact. Misschien vinden we antwoorden. En misschien, heel misschien, vinden we waarom deze groep cultisten het noodzakelijk vond mij op deze wijze nog verder te verminken. En waar zij zich bevinden.

Een dodelijk treffen aan boord de trein

Na alles wat zich had ontvouwd in de wereld der dromen, vond ik de slaap niet meer. Mijn gedachten waren te onrustig. Klaus en ik besloten de dinerwagon op te zoeken voor een stevige lunch. Terwijl Klaus zich juist neerlegde bij het verpletterende nieuws dat kreeft niet beschikbaar was (een zeldzaam geluk, in mijn ogen), viel mijn blik op de tafel naast ons. Of beter gezegd: op de papieren die zich daar hadden verzameld, en de man die ze bestudeerde. Foto’s, krantenknipsels, aantekeningen. En tussen die aantekeningen — onmiskenbaar — het woord Sedefkar. Mijn hart sloeg een tel over.

Ik boog me naar hem toe, vriendelijk maar doortastend, en vroeg hij waar hij mee bezig was. En zo ontdekten we zijn naam: Dr. Radko Jordanov. Niet zomaar een academicus, maar de collega van Jazmina’s vader — dezelfde man aan wie zij de inhoud van de tombe had toevertrouwd. Hij kende ons van naam, zij had hem over ons verteld, en de interesse bleek wederzijds. Jordanov was op weg naar Sofia en zijn belangstelling voor de Simulacrum was diepgaand. We schoven aan bij zijn tafel en raakten verwikkeld in een gesprek dat niet minder dan verhelderend bleek.

Maar… de trein keek en luisterde mee. We hadden het gevoel al langer, maar ook ditmaal werden we niet teleurgesteld. Een kelner toonde opvallend veel belangstelling voor onze conversatie, zijn ogen glipten telkens over de papieren, over ons. Toen ik hem confronterend aankeek, verstarde hij. Iets in zijn houding verschoot, en hij draaide zich abrupt om — als een betrapte dief.

Maar hij rende niet direct weg. In een plotselinge wending trok hij een vlindermes en greep de hoofdober vast, het mes scherp tegen diens hals gedrukt. Een cultist dus, ongetwijfeld. Weer één. Er was geen tijd om te twijfelen. In weerwil van de omgeving — de mensen, het porselein, de zilveren koffielepels — sprak ik de woorden uit. De blasfemische spreuk gleed van mijn tong, scherp als de punt van zijn mes. Laat vallen, beval ik. En hij gehoorzaamde.

Hij vluchtte daarna direct, richting het achterste deel van de trein. En dus volgden wij — Klaus en ik, wederom in achtervolging door wagons, ditmaal in de ‘echte’ wereld. Klaus, opmerkelijk genoeg, vond het gepast een cocktail voor onderweg mee te nemen en volgde enigszins vertraagd.

We bereikten hem in het achterste compartiment. De cultist, inmiddels gewapend met een bebloede bijl, keek me aan met een woeste blik. Ik trok mijn pistool. Hij hief de bijl — en ik vuurde. De kogel trof hem niet dodelijk, maar voldoende. Hij deinsde achteruit, wankelde tegen de deur… en die deur, wellicht niet goed gesloten, gaf mee. Hij viel achterover, uit de trein, op de rails. Ik haastte me naar het portaal. Daar lag hij. Onbeweeglijk, zijn hoofd in een steeds breder wordende plas bloed, de Oriënt Express achterlatend als een stomme getuige.

Even later vonden we het lichaam van de ware ober. Ontzield en ontdaan van kleding en hand. Zijn rechterhand bleek met wreed geweld te zijn afgehakt — waarom vooralsnog een raadsel.

Later die middag hervatten we ons gesprek met Dr. Jordanov. Hij sprak over zijn onderzoek, over Sedefkar, over een hoofd van een afgodsbeeld dat overeenkwam met eerdere beschrijvingen. Volgens hem was het artefact opgegraven uit een site die ooit was beschreven door een oud-student van zijn universiteit — een student die sprak over een ras ouder dan de mensheid. Zijn werk werd destijds bespot. Ik vraag me af of die hoon niet het bewijs is van de waarheid.

Bij aankomst in Sofia — de zon inmiddels gezakt achter de heuvels — werden we opgewacht door de autoriteiten. Een ondervraging volgde. Men had kennisgenomen van de gebeurtenissen aan boord. We vertelden de waarheid, of in elk geval een aanvaardbare variant ervan. Wat we hoorden, stemde ons niet gerust. Ook in Sofia was het onrustig. Verminkte lichamen, afgehakte handen, en berichten over anarchisten en onrust. Alsof de chaos ons vooruit was gereisd.

De trein brengt ons verder, maar de duisternis reist met ons mee.

Niet de rust waar ik naar verlangde

Na de gebeurtenissen bij Baba en haar duistere heksenkring, was mijn geest eenvoudigweg uitgeput. Wat ik verlangde, meer dan wat dan ook, was rust. Niets meer dan een droomloze slaap, liefst de volle negen uur die de reis naar Sofia ons zou kosten. Hoe naïef van mij om te denken dat de Oriënt Express mij die gunst zou verlenen.

Na het ontbijt kroop ik direct terug onder de dekens. Klaus bleef in de restauratiewagen voor een cocktail, en ik dommelde weg—of dacht dat althans te doen. Want ineens waren we weer daar: aan boord van de Dreamlands Express. Klaus, keurig in pak; ik, slechts gehuld in mijn nachtjapon. Op onze kleding na was de overgang naadloos, alsof we nooit waren vertrokken en de tijd zelf had stilgestaan.

Onze cabine was zoals we het hadden achtergelaten, inclusief het levenloze lichaam van de kat Blackjack. Door messteken om het leven gebracht. Henri Peeters, de immer vriendelijke conducteur, was zichtbaar van streek. Zijn gezicht verbleekte bij het zien van het dier. Een vermoorde kat aan boord van deze trein… dat zou ernstige repercussies hebben, vooral in Ulthar. Hij vroeg, of liever gezegd smeekte ons om hem te helpen de dader te ontmaskeren. Uiteraard stemden wij toe.

Onze eerste stop voor meer informatie was bij de andere katten, en daarna richtten wij onze aandacht op de heer Karakov—de man met de bebloede hand. Verdacht, maar uiteindelijk onschuldig. Zijn verwonding leek los te staan van de moord.

Daarna volgde Mironim-Mer. Een zonderling, met een glimlach die net iets te dun was. Tijdens het gesprek viel ons oog op een reeks kreukels in het tapijt—alsof iemand haastig bloed had geprobeerd te verwijderen. En inderdaad, kleine vlekken en andere aanwijzingen bleven achter als stille getuigen. Mironim-Mer loog. Niet subtiel, niet geraffineerd, overduidelijk schuldig.

Hij zette het op een lopen. Klaus, Henri en ik achter hem aan, als toneelspelers in een grotesk stuk. De achtervolging eindigde in de coupé van mevrouw Bruja. Toen wij de deur openden, verdween elke twijfel—Mironim-Mer had zijn ware gedaante aangenomen. Niet menselijk, niet dierlijk—maar een krabachtig, tentakelig wezen, een nachtmerrie van chitine en kaken, dat zich op mevrouw Bruja stortte en haar hartvormige tasje trachtte te bemachtigen.

Wat toen volgde was een slagveld in miniatuur. Magie vloog door de ruimte—door zowel mijzelf, mevrouw Bruja, Henri als het monster, maar het was Klaus—kalm, trefzeker—die met één goed geplaatste kogel het wezen uiteindelijk tot stilstand bracht.

Terwijl Henri het onheilspellende lichaam door het raam werkte, opdat de Dreamlands het zou verteren, opende ik het tasje. Leeg. Ik keek naar mevrouw Bruja—die glimlachte. Ze prevelde iets vaags: dat het geen betekenis meer had, dat het slechts bedoeld was als afleiding voor de Tovenaar, haar aartsvijand. En toen herinnerde ik het mij: een oud verhaal, een legende.

Het hart der geliefden

Een gruwelijk klein volksverhaal dat men in de stad vertelt, is dat van de Tovenaar en de Heks. De Tovenaar huwde laat en dwaas. Voor zijn dwaasheid werd hij op een dag beloond: hij betrapte zijn jonge vrouw met haar minnaar. In woede riep hij de duistere machten aan en verscheurde het ongelukkige paar. Hij rukte de harten uit hun lichamen en verbrandde ze tot as, met de eed dat zij zelfs in de dood geen rust zouden vinden. Hun verminkte lichamen wierp hij aan de honden.

Maar hij had geen rekening gehouden met de moeder van het meisje, een heks vol gruwelijke boosaardigheid, die dagelijks voor de kerk bad om wraak. Haar kreten werden gehoord, al is het twijfelachtig of het antwoord werkelijk van Goddelijke oorsprong was. Er wordt gefluisterd dat de kerk was gebouwd op een ouder en duisterder fundament, dat door de oude Romeinen was opgericht ter ere van hun heidense goden. Op een dag stond de Heks voor de kerk met in haar hand een gloeiende robijn, zo groot als een gebalde vuist, en van een eigenaardige vorm — alsof deze was gesmeed uit twee verstrengelde geliefdenharten.

De Tovenaar, die de steen zag, werd verteerd door verlangen. Hij gaf zijn mannen bevel haar te grijpen, maar de Heks verborg het in haar boezem. Toen hij haar doorzocht, was de steen verdwenen, en zelfs onder marteling weigerde zij het te onthullen. Zij werd veroordeeld wegens hekserij en op het plein voor de kerk op de brandstapel gezet. Terwijl de vlammen haar verteerden, eiste de Tovenaar nog steeds de steen van haar. Pas toen ze door het vuur werd opgeslokt, opende zij haar lippen. “Haat is sterker dan liefde,” krijste zij. “En de dood is sterker dan het leven. Alleen in uw dromen zult gij het vinden!” Met die woorden stierf zij.

De Tovenaar werd waanzinnig van lust naar de verloren steen. In zijn laatste dagen sloot hij zich razend op in zijn toren. Gelovend dat hij het antwoord op haar hoon had gevonden, verbrandde hij zichzelf levend in zijn eigen grafkelder.

Men zegt dat het paar geen rust kent, maar zelfs nu nog op donkere nachten te zien is, jagend op elkaar tussen de stormwolken. De Heks heft nog altijd triomfantelijk haar gloeiende schat omhoog, terwijl zij zich verkneukelt om de vergeefse achtervolging van de Tovenaar. “Haat is sterker dan liefde,” roept zij. “En de dood is sterker dan het leven!” Waarlijk, geen barmhartige Voorzienigheid zou zulke verschrikkingen dulden.

Mevrouw Bruja was niemand anders dan de Heks in kwestie uit dit verhaal. De edelsteen, het hart—bevond zich niet in het tasje, maar diep in haar borstkas, verankerd in vlees en geheugen. En het wezen dat wij zojuist hadden verslagen was niet zomaar een monster, maar een bode. Een boodschapper van de Tovenaar.

En toen… ontwaakten wij.

Ik lag nog in onze coupé aan boord van de Oriënt Express. Nauwelijks een minuut verstreken. En toch voelde ik mij alsof ik weken gereisd had. Mijn lichaam was terug. Mijn geest… verre daarvan.

Rust? Nee. Die was me vooralsnog niet gegund.

Over heksen en een wandelende hut

Er lag een onheilspellende stilte over het woud toen Klaus en ik onder de verwrongen takken traden, op zoek naar Baba’s hut. De lucht was zwaar en stil als voor een storm, en naarmate wij dieper het bos indrongen, verdichtte de atmosfeer zich tot iets tastbaars. De bomen – oeroud en met mos begroeid – sloten zich boven ons als de ribben van een stervende reus. Een geur van rot, schimmel en oud compost bedwelmde de zintuigen. Geen vee, wel kraaien.

En toen opeens roken we de warme, bedrieglijk troostrijke geur van vers brood, die ons leidde naar een open plek waar een hutje zich ophield als een wolf in een lamshuid.

We klopten. Geen knokige heksenhand opende de deur, zoals ik verwacht had, maar een jonge vrouw, hoogstens twintig. Ze stelde zich voor als Kcerca, een nicht van Baba, en nodigde ons met een glimlach binnen. Het aanbod van brood en thee was vriendelijk en verleidelijk, maar ik bleef op mijn hoede.

Het huis leek binnen groter dan van buiten – een verstoring van geometrie die ik niet verklaren kon. De haard gloeide, de oven was nog warm van het bakken. Overal stonden voorwerpen, waaronder veel archeologische stukken. Klaus speurden de kamer af naar de rechterarm van het Simulacrum.

En toen verscheen Baba zelf.

Haar gestalte was die van een heks uit volksoverlevering – kromgebogen, gerimpeld, vrijwel tandeloos, haar ogen als doffe edelstenen – maar haar aanwezigheid had iets pervers levends. Zij sprak kort met Kcerca in een taal die wij niet herkenden, alvorens zich in opvallend verzorgd Engels tot ons te richten. We spraken over onze zoektocht, over artefacten, over ruil en aankoop. Ze vertelde over haar vader, een archeoloog, althans zo beweerde zij.

Klaus’ blik gleed op zeker moment omhoog en daar zag hij het. De arm – hoog tegen het plafond op een plank. Uiteindelijk was ik het die, balancerend bovenop een onhandige constructie van een stoel, op een tafel, half hangend aan de plankenstellage, de arm wist los te trekken. En toen brak pandemonium los.

“Iä! Iä! Fhtagn Shub-Niggurath!”

De woorden sneden niet door de lucht, ze scheurden erdoorheen. Een koude, dode hand greep plots mijn enkel vast. Baba leek te transformeren voor onze ogen – haar fragiele gestalte week voor een kracht die niets menselijks meer had. Klaus werd getroffen door een afzichtelijke klap van een broodschep en wankelde. Kcerca, glimlach verdwenen, viel mij aan met een vlijmscherp keukenmes.

In paniek blies ik met volle kracht op het fluitje van bot – het artefact dat Tsuba ons had meegegeven. Het spatte uiteen en was vermoedelijk onze redding, maar liet ons ook de volledige, verschrikkelijke waarheid zien.

De hut waar wij ons in bevonden was een levend organisme—het houtwerk spieren, pezen en aderen. Ledematen op de planken bleken niet van steen of keramiek, maar afgehakte ledematen van vlees en opeens bezeten van leven – of iets wat zich zo gedroeg. De ruimte waar we ons in bevonden was letterlijk de buik van het beest. Het fluitje had een vernietigend effect – de ruimte wrong zich om ons heen als een maag in kramp.

We werden uitgebraakt – letterlijk uitgespuugd – het huisje uit. De heksen ook, maar Baba kwam zwaar gehavend tevoorschijn, haar vlees aangevreten door zuur. Ze greep zich vast aan Kcerca, als een parasiet aan haar gastheer.

Buiten was niets meer zoals het was. Het houten tuinhek was veranderd in een macabere constructie van doornenstruiken, kinderschedels en beenderen. Ik greep het Simulacrum steviger vast en rende, de waanzin nabij – met Klaus vlak achter me – weg van die helse plek.

Bevreesd om definitief mijn verstand te verliezen, keek ik niet om. Niet bij het gekraak. Niet bij het donderen van reusachtige stappen. Niet bij de doodskreet van Kcerca. Klaus besloot wel een blik te wagen en zag hoe het huis oprichtte op twee kolossale kippenpoten en zich in beweging zette. En hoe Baba het leven uit de jonge heks zoog.

Gelukkig bleken wij sneller dan de monsterlijke hut. Althans voor het moment. Ons uithoudingsvermogen was ongetwijfeld minder. Maar het Cigani-kamp was onze redding. We stortten neer en vertelden het relaas van wat we hadden meegemaakt. En daar, bij het vuur, viel ons iets op. Tsuba… haar ogen en gezicht. Zij leek op Kcerca. Als een oudere spiegel. En zo bleek het: tweelingzussen. Kcerca was twintig jaar geleden verdwenen – niet ouder geworden, maar geconserveerd in Baba’s nachtmerrie. De Cigani werden razend bij het horen van de waarheid en ze zwoeren wraak.

Die nacht was ons hemelzijdank gegund. We sliepen tussen de Cigani, in de luwte van hun magische bescherming. De volgende ochtend bleken zij vastbesloten Baba te doden. Onze waarschuwingen vonden geen gehoor – hun woede was te diepgeworteld.

Klaus en ik besloten te vertrekken, via Orašac, en dan snel door naar Belgrado. In het dorp bezochten we nog kort Kristijan Filopovic. Zijn vrouw, Ana… zij was de derde van de cirkel. Ook zij was ten prooi gevallen aan Baba’s onverzadigbare dorst. We troffen Kristijan aan in de kerk, omklemd met het verdorde, ontdane lichaam van zijn geliefde. We spraken nog enkele woorden, uit respect, uit medeleven. Daarna vertrokken we – met lood in de benen – in de richting van de trein naar Belgrado.

Nu een dag later, snijdt de Oriënt Express zich opnieuw door het landschap – een negen uur durende rit naar Sofia. Het ritme van de wielen is monotoon, bijna troostend, maar mijn gedachten blijven onrustig.

We hebben Orašac overleefd. Nauwelijks. Klaus’ leven hing aan een draadje. En ik… ik weet niet of mijn geest nog geheeld kan worden. De heksen die ik slechts kende uit oude Ierse vertellingen, bestaan. En hun kracht is niet slechts bovennatuurlijk, maar kosmisch van aard.

Soms, tussen de bomen, vangen wij een glimp van iets dat ons volgt. Die hut op kippenpoten. We denken dat het metaal van de trein ons beschermt, maar mijn geest trilt nog steeds na van de taferelen die ik in die duivelse hut heb aanschouwd.

Terwijl het landschap aan ons voorbijtrekt, denk ik aan de oude kastelen en abdijen die wij met enige regelmaat in het landschap hebben zien liggen tijdens onze reis. Wat zou ik er voor over hebben om mij op zo’n plek te kunnen terugtrekken om de rust in mijn hoofd te doen terugkeren en alle verschrikkingen van de afgelopen tijd te kunnen verwerken. Maar het pad ligt al voor ons. Geen rust, geen keuze.

Sofia wacht.

Sinistere zaken in Orašac

Er heerst iets diep verontrustends in Orašac, al kan ik mijn vinger er nog niet geheel op leggen. Toch ben ik ervan overtuigd dat er hier zeer duistere krachten werkzaam zijn, en dat de lokale Romani-familie zich daartegen schrap zet als een kracht ten goede.

Na een hectische en vermoeiende reis per lokale trein bereikten Klaus en ik onze laatste treinhalte — nauwelijks meer dan een verlaten station bij een kruispunt van wegen. Daar bleek niemand de weg naar Orašac te willen nemen en zat er niets anders op dan de resterende kilometers te voet af te leggen. Een uur lang voerde onze tocht ons door een bosrijk landschap, totdat wij Orašac bereikten.

De dorpsbewoners bleken schuw jegens vreemdelingen, doch het was eenvoudig genoeg om de kerk en het huis van vader Kristijan Filopovic en zijn vrouw Ana te vinden.

Reeds bij onze eerste kennismaking met hen bekroop ons een unheimisch gevoel waar het Ana betrof. Op een oude foto zagen wij het echtpaar, samen met dr. Todorovic, een studiegenoot van hen zo bleek. Maar Ana… Ana leek in de tussenliggende decennia geen dag ouder te zijn geworden. Natuurlijk — sommige mensen behouden lang hun jeugdige uiterlijk — maar hier voelde het anders, onnatuurlijk. Kristijan zelf scheen zich er niet aan om te bekommeren.

Onze komst naar Orašac was natuurlijk ingegeven door de hoop meer te weten te komen over de herkomst van de antieke voorwerpen in Belgrado en hopelijk het artefact dat wij zoeken. Vader Filopovic vertelde dat deze voorwerpen vrijwel allen afkomstig waren van een oude vrouw die in een hutje, diep in het bos, een teruggetrokken bestaan leidt. De dorpelingen kennen haar slechts als “Baba” (grootmoeder) en mijden haar. Zij blijkt een bloedverwant van Ana; slechts de priester en zijn vrouw onderhouden nog enig contact met haar. Een oude vrouw, alleen in een hut in het bos… mijn gedachten sloegen meteen op hol. Wij besloten haar de volgende dag op te zoeken.

Later die avond weerklonk gezang vanuit het dorp. Een groep Romani — hier bekend als Cigani — trok van huis tot huis met wat aanvankelijk leek op een vruchtbaarheidsritueel, bedoeld om een goede oogst af te smeken. De hoofdrol daarin was weggelegd voor de jongste huwbare dochter uit het dorp. Maar bij nadere beschouwing ontwaarde ik een andere dimensie: het ritueel leek niet enkel gericht op vruchtbaarheid, maar diende tevens ter bescherming tegen de perverse vruchtbaarheidsgodin — Shub-Niggurath, de “Black Goat of the Woods with a Thousand Young”. De Cigani zorgden ervoor dat dit blasfemische wezen de toegang werd versperd tot de huizen in het dorp.

Waarom achtte deze groep het nodig dit ritueel uit te voeren? Was er een reëele dreiging? Vader Filopovic vertelde ons de naam van de vrouw die de leiding had over deze ceremonie: Luminitsa Venclovic, herkenbaar aan een opmerkelijk fluitje van bot dat om haar hals hing. We namen ons nadrukkelijk voor haar de volgende dag op te zoeken om meer te weten te komen.

Opvallend was het verschil in houding tussen onze gastheren. Terwijl Kristijan het gebeuren met gelatenheid aanschouwde, was Ana zichtbaar ontstemd — zelfs buitenproportioneel fel, alsof haar woede een andere oorsprong kende.

Mijn argwaan jegens haar werd die avond alleen maar groter. Nadat het ritueel verstomd was, hoorden wij uit de keuken het opgewonden stemgeluid van drie vrouwenstemmen, in een taal die ik niet herkende. Maar bij binnenkomst troffen wij slechts Ana aan, van de twee andere vrouwen geen spoor.

De volgende ochtend zochten wij burgemeester Todor Nedic en zijn omvangrijke familie op. Ook daar vernamen wij weinig vleiends over Baba. Marja, een nicht van de burgemeester, bood aan ons te vergezellen als tolk naar het kamp der Cigani.

In het kamp ontmoetten wij mevrouw Venclovic, die onze vermoedens bevestigde: er was iets bijzonder…verkeerds aan Baba en ze had inmiddels een onnatuurlijk hoge leeftijd bereikt. Bij ons vertrek drukte Tsuba, een jongedame die de avond tevoren had deelgenomen aan het ritueel, mij iets in de hand. Het was een fluitje, van hetzelfde soort bot als dat van Venclovic. “Voor bescherming,” fluisterde zij.

Even later, toen we het fluitje nader bestudeerden, werd ons duidelijk dat het oud was — zeer oud, wellicht zelfs uit de vroeg-Byzantijnse periode. Ik klemde het stevig vast, met een beklemmend gevoel van naderend onheil in mijn hart.

De stilte na de schreeuw

Mijn hand beeft nog terwijl ik deze woorden aan het papier toevertrouw — of nee, het is niet mijn hand die beeft, maar mijn geest. Wat zich in Vinkovci heeft voltrokken, zal mij vermoedelijk nimmer geheel loslaten.

Wij bevonden ons bij de betonfabriek — Klaus, Yazmina en ik — in de auto van dokter Belenzada, die zichzelf zojuist door het hoofd had geschoten, verteerd door schuld en spijt. In mijn hand rustte de Mims Sahis: een object van onuitsprekelijke duisternis, waarvan de kwade invloed de dokter tot zijn onuitsprekelijke daden had gebracht. Ik voelde haar kracht — koud, oud, boosaardig. Wij besloten een poging te wagen haar te vernietigen in de rotsvergruizer. Of die daad ons heeft verlost, of juist de poorten naar groter onheil opende, durf ik niet te zeggen.

Klaus wist de werking van de kolossale machine te doorgronden en bracht haar met veel lawaai tot leven. Wij legden het mes op de transportband en aanschouwden hoe het zijn weg vond naar de meedogenloze raderen. En toen — kwam de explosie.

Geen vuur, geen rook — slechts een kille gloed, een golf van zwart niets die mij raakte en wegrukte uit de werkelijkheid. Vijf seconden, zo zeiden zij mij nadien, was ik buiten kennis. Maar voor mij strekte zich daarbinnen een eeuwigheid uit. In mijn visioen was ik geketend aan een stenen altaar, waar wezens uit een droom van krankzinnigheid mij levend vilden, ritueel en traag. Toen ik bijkwam, was ik doof. Niet lichamelijk, maar geestelijk — alsof de wereld zich achter een sluier had teruggetrokken. Mijn verstand week, en ik verloor mij in een urenlange maalstroom van besluiteloosheid. Men vertelde mij dat ik sprak — veel sprak zelfs — maar geen betekenis droeg.

Klaus en Yazmina brachten mij terug naar de jachthut. Wij lieten het lichaam van de dokter in de wagen, ergens nabij, en sliepen slechts enkele uren. De volgende ochtend vertrokken wij reeds vroeg, aan boord van de Oriënt Express, op weg naar Belgrado. Mijn lichaam was moe — maar mijn geest, o, mijn geest was uitgeput.

In Belgrado maakten wij kennis met Petar Ritichit, een jongeman van de straat met brutale ogen, doch behulpzame handen. Klaus beloonde hem vorstelijk. Hij droeg onze bagage naar Hotel Moskva, waar wij een broodnodige rustdag namen.

Vandaag voerden onze stappen ons naar het Nationaal Museum. Professor Smith had ons op het hart gedrukt daar een zekere dokter Milovan Todorovic te spreken, curator aldaar en een vertrouweling van hem. Daar hij echter pas later op de dag beschikbaar bleek, besloten wij de ochtend door te brengen op de Turkse bazaar. Petar en zijn jonge trawanten vergezelden ons.

Onder de luifels van kruidige lucht en rumoer bood een waarzegster ons een kaartlegging aan. Puur bijgeloof, zou men zeggen — doch men weigert dit soort zaken niet lichtzinnig. Haar handen ontvouwden zes kaarten, en bij elk sprak zij:

Three of Pentacles – “The three who meet you are as old as man.”
Queen of Books – “You seek something which was once whole but is now apart.”
Change – “You are on a long journey.”
Knight of Tides – “Beware of the fire.”
Desire – “Beware of the one who is unseen.”
Manipulation – “A man you think your friend is your enemy.”

Dwaasheid, zou de redelijke geest beweren. En toch… de kaarten sneden gevaarlijk dicht langs de randen van de waarheid. En toen — die zwarte kip. Die ons bleef aanstaren. Vasthoudend, haast met opzet.

Even verderop, tussen de koopwaar, zagen wij een arm. Een rechterarm. Vreemd vertrouwd. De Sedefkar-arm? Nog voor wij konden handelen, dook er een man met snor op — vastberaden, haast driftig — en greep het artefact. Hij zette het op een lopen, en wij achtervolgden hem. Toen hij eindelijk tot stilstand kwam, sloeg hij de arm in stukken. Duizend scherven. Het was niet het origineel, dat werd duidelijk — maar het leek erop. Een spoor. De verkoper verklaarde dat hij zijn waren had betrokken uit een dorp genaamd Orašac. Die naam tekende ik met nadruk op.

Later, terug in het museum, troffen wij een collectie die op sommige punten zelfs het Louvre naar de kroon steekt. Dokter Todorovic sprak eindelijk met ons. Wij noemden professor Smith, onze missie, onze vragen. Hij luisterde aandachtig, doch vroeg als voorwaarde dat wij een werkvergunning zouden voorleggen — een bureaucratisch obstakel dat wij echter zonder veel moeite wisten te nemen. Mijn naam, verbonden aan Miskatonic University, bleek te helpen.

Hij vertrouwde ons vervolgens toe dat het museum geregeld voorwerpen ontvangt uit Orašac. En dat daar een priester woont — Vader Filipovic — die wellicht over nadere kennis beschikt.

Morgen zullen wij hem opzoeken.

Een stad van oeroude fluisteringen

Tussen al onze verrichtingen in Vinkovci door heb ik tijdens ons verblijf enige mogelijkheid gezien om me te verdiepen in diens geschiedenis. Ondanks dat het slechts een kleine stad is, heeft het een lange geschiedenis, tot aan de klassieke oudheid en, naar men vermoedt, ver daarvoor.

Er zijn plekken in deze wereld waar de tijd zelf lijkt terug te deinzen, waar de lucht zwaar is van het gefluister van dingen die lang dood zijn—of niet dood genoeg. Vinkovci, deze stille stad op de Slavonische vlakte, is zo’n plek. Het is een oude stad, veel ouder dan haar afbrokkelende stenen doen vermoeden, en hoewel de geschiedenis spreekt van Romeinen en Illyriërs, begin ik te vermoeden dat hun aanwezigheid slechts een vluchtig moment was in het leven van iets dat veel, veel ouder is.

In de oudheid heette het Cibalae, een naam die zelfs nu nog een sinistere lading draagt. Twee Romeinse keizers werden hier geboren—Valentinianus en Valens—mannen van ambitie en ijzer. De Romeinen bouwden wegen en tempels, maar hun goden heersten hier niet. Nee, dit land was al lang tevoren opgeëist. De inheemse Illyriërs en Kelten moeten het geweten hebben, want hun grafheuvels staan nog steeds als stille wachters, waarschuwend voor wat zich eronder bevindt.

En toch kwamen de Romeinen, net als velen na hen—Avaren, Slaven, Ottomanen, Oostenrijkers. Elk volk heeft zijn merkteken in de grond gegrift, maar geen van hen heeft het echt getemd. Oorlogen hebben gewoed, rijken zijn opgestaan en gevallen, en toch is Vinkovci blijven bestaan. Niet bloeiend, niet welvarend—maar bestaand, volhardend. ’s Nachts daalt er een vreemde stilte over de stad, een stilte die geen vrede uitstraalt, maar waakzaamheid. De mensen hier spreken niet over wat hun voorouders wisten. Ze stellen geen vragen over waarom bepaalde ruïnes onaangeroerd blijven, waarom sommige velden onbebouwd zijn.

Ik heb door haar smalle straten gewandeld en de drukkende aanwezigheid van ongeziene ogen op mij gevoeld. De stenen, zweer ik, dragen markeringen die door geen enkel rijk zijn achtergelaten—inscripties die lijken te bewegen wanneer je ze vanuit je ooghoek bekijkt. Er is iets verontrustends aan de manier waarop de rivier de Bosut stroomt, haar trage wateren te donker, te diep. Zelfs de lucht draagt een geur, zwak maar onmiskenbaar, als vochtige aarde en iets dat ouder is, iets dat niet had mogen blijven hangen.

Vinkovci is geen gewone stad. Het is een wond in het weefsel van de tijd, een plek waar het verleden niet voorbij is en de doden niet volledig zijn verdwenen. Ik weet niet welke oeroude kracht onder haar straten sluimert, en ik wens het ook niet te weten. Spoedig nemen we de trein naar Belgrado en laten we Vinkovci achter met haar eeuwige waken, haar zwijgende dreiging. Sommige plekken zijn beter met rust gelaten.

Een duivels dilemma

Klaus en ik bevinden ons in een waarlijk duivels dilemma. Naast de fragmenten van het Sedefkar Simulacrum zijn wij onverwacht in het bezit geraakt van een buitengewoon gevaarlijk artefact — de Mims Sahis, ook wel bekend als de Klauw van het Serpent. Dokter Dragomir Moric wilde deze dolk vernietigen, terwijl Goran Belenzada haar wenste aan te wenden voor het goede, teneinde oorlogsveteranen te kunnen helpen. Doch, de dolk is ontegenzeggelijk doordrongen van kwaad. Ik vóél het in elke vezel van mijn wezen. En toch… er schuilt mogelijk een verband met onze missie, en — ik durf het nauwelijks uit te spreken — wellicht kan zij ook mij persoonlijk iets teruggeven. Maar tegen welke prijs?

Laat mij echter eerst, alvorens verder te filosoferen, een kort overzicht geven van hetgeen zich de voorbije twee dagen heeft afgespeeld.

Wij ontdekten de lugubere aard van de medische experimenten die dokter Belenzada uitvoerde in zijn kampement. Zijn oorspronkelijke motief — het verlichten van het lijden der oorlogsinvaliden die hun ledematen hadden verloren — verdient op zich lof. Maar in zijn zoektocht is zijn geest ergens afgedwaald in duistere regionen. Ik ben ervan overtuigd dat het de Mims Sahis was die hem op dat pad der waanzin bracht. Het artefact stelde hem in staat om ledematen uit te wisselen tussen mensen en dieren. Klaus merkte een hond met het hoofd van een varken op in een kennel in het kampement, en bij meerdere bewakers van het kamp bleken hun geamputeerde ledematen vervangen te zijn door die van apen. Een gruwel.

Yazmina’s vader had reeds uitvoerig onderzoek verricht naar de geschiedenis van de Mims Sahis. Dit kwaadaardige reliek stamt vermoedelijk uit de tijd der kruistochten, zo niet eerder, en was eens in het bezit van Sedefkar. Een mystieke christelijke ridderorde, de Orde van het Nobele Schild, had het wapen buitgemaakt en uiteindelijk veilig opgeborgen in een tombe, omgeven door occulte symbolen. Deze tombe was het object van de opgraving hier te Vinkovci. Tot voor enkele weken rustte de dolk hier in vrede, totdat Moric haar ontdekte en zijn ontdekking deelde met zijn vriend Goran.

Het leidde tot een hoog opgelopen meningsverschil dat tragisch uitmondde in moord. Arme Moric. Arme Yazmina. Hoe wrang is het dat Moric het naderend onheil aanvoelde en zijn vondsten nog wist te beveiligen, maar niet zijn eigen leven. Yazmina zal de antieke manuscripten en het zilveren muntstuk van Judas naar een museum in Zagreb brengen. Het steentje, gegraveerd met een occulte beschermingsrune, houden wij bij ons. Onze Heer nu mag oordelen over het lot van Goran Belenzada, maar ik verwacht dat hij zal branden in de Hel.

En dan blijft er de dolk. De Mims Sahis. De Klauw van het Serpent. Wij bevinden ons nu op de plaats waar Moric haar hoopte te vernietigen, door haar onder een rotsbreker te verpulveren. Maar, wat te doen? Het zou wellicht het verstandigst zijn het vernietigingsplan voort te zetten. Maar het is tevens een wapen van ongeëvenaarde kracht, scherp als geen ander — het snijdt door materie alsof het lucht betreft. En… misschien, heel misschien, zou ik haar kunnen gebruiken om mijn verloren hand terug te krijgen. Maar opnieuw rijst de vraag: tegen welke prijs?