
Ik zou verdriet moeten voelen. Of iets wat erop lijkt. Er is mij tenslotte wederom iets afgenomen. Als kind likten de vlammen ons huis tot zwartgeblakerd puin. De brand roofde mijn ouders, mijn jeugd en mijn rechteronderarm — alsof het vuur een offer vroeg en nam wat het wilde. Wat achterbleef was stilte. Pijn. De geur van verschroeide herinneringen.
Nu, jaren later, is het mijn linkeroog dat mij is ontnomen. Niet door vuur, maar door iets wat zich ophoudt in de scheuren van de werkelijkheid. Een afschuwelijk ding, niet meer dan een hand — en toch zó doelgericht, zó doordrenkt van intentie. Gestuurd door de duistere wil van onze vijand.
Het geluid zal mij eeuwig achtervolgen: een natte, zuigende plop — alsof een onrijpe vrucht toch werd geplukt. Daarna de pijn. Toen het zwart.
Maar het is niet de pijn die blijft hangen.
Het is de stilte die erop volgde. Geen woede. Geen paniek. Geen verdriet. Alleen een vreemde kalmte, een afstandelijke observatie, alsof ik toekijk hoe het een ander overkomt. Word ik gek? Of ben ik slechts afgestompt door alles wat ik heb gezien: de ontheiligende geschriften, de godslasterlijke wezens, de mannen die terugkeerden uit de loopgraven met ledematen van hout en staal en ogen die nooit meer knipperden.
Soms vrees ik dat ik dezelfde weg op ga als zij die vóór mij te veel zagen en hun verstand kwijtraakten. Zij die iets te dicht bij de kosmische structuren kwamen waar wij slechts als motten omheen fladderen.
Sinds Vinkovci staat mijn geest op een hellend vlak. De dromen. De gezichten. Visioenen van ingestorte zuilen, van vlees dat woekert onder steden als wortels van een vergeten god. En nu dit oog — míjn oog — dat ergens anders is en mij dingen doet zien die ik niet behoor te zien. Wie is Mary O’Sullivan nog, als zelfs haar blik door een ander wordt gedragen?
Misschien huil ik morgen. Of overmorgen. Misschien nooit meer.
Tot die tijd ga ik door. Ik moet wel. Voor mezelf. Voor Klaus. Voor de missie die haar einde nadert. Als ik hard ben geworden, is dat niet uit keuze, maar uit noodzaak.
En als dit slechts het begin is — als er nog meer van mij wordt geëist — een been, mijn andere hand, mijn gelaat — laat het dan zo zijn. Het doet er niet toe. Zolang ik mijn geest behoud. Zolang ik de woorden nog kan lezen, de patronen kan herkennen, en niet over de rand tuimel zoals zovelen vóór mij. Zolang ik nog weet wie ik ben, wat ik zoek en waarom…
…ben ik nog heel genoeg.
