Oculum Maledictum

❧ Maandag 12 februari 1923

 

Bij aankomst in Sofia werden Klaus en ik onmiddellijk onderworpen aan een ondervraging door een zekere majoor Christova. Hij wilde alles weten over de cultist en de vermoorde ober met de afgehakte hand. Opmerkelijk was dat hij geen moment zijn wenkbrauwen optrok bij het horen van dat detail. Blijkbaar te alledaags, hier.

Men blijkt in Sofia al langer geplaagd door een gewelddadige groepering die binnen de politie kringen bekendstaat als The Butchers. Geen poëtische bijnaam — wel een akelig treffende. Hun slachtoffers worden zelden in één geheel teruggevonden. Christova vermoedde cultistische activiteiten, rituelen, ledematen als offers. Het leek mij weinig vergezocht. En, zoals later bleek, had hij gelijk.

Buiten wachtte Dr. Radko Jordanov ons op, netjes in zijn jas, naast zijn auto. De zon was reeds onder, de stad baadde in de winterkou. We waren uitgeput en verlangden slechts naar onze hotelkamer in het Hôtel de la Bulgarie. Jordanov was vriendelijk genoeg om ons zijn wagen ter beschikking te stellen, mocht dat nodig zijn. Na een verrassend goede filet mignon op onze kamer — de realiteit blijft soms heerlijk banaal — hoopten wij eindelijk op een nacht zonder incidenten.

Die hoop was ijdel.

Ik werd gewekt door een geluid. Niet luid, maar scherp. Alsof iets kleins, ter grootte van een rat, op de vloer landde. In het bleke maanlicht zag ik een schaduw wegschieten — klein, snel. Mijn hart schoot omhoog. Ik gleed uit bed, met mes in mijn hand voor ik goed en wel besefte wat ik deed. Wat zich toen voltrok, lijkt met terugwerkende kracht haast belachelijk — ware het niet zo gruwelijk geweest.

Een ontlichaamde hand sprong uit het duister op mijn gezicht af. Niet lang daarna hoorde ik het ploffen van een tweede. Als in een waanzinnige pantomime vocht ik terug, sloeg, stak, duwde. Ik riep Klaus om hulp, maar uit de kamer naast de mijne hoorde ik eenzelfde geluiden — van een situatie vergelijkbaar in aard, vermoedde ik direct.

Uiteindelijk slaagde ik erin de twee handen zodanig te verwonden dat ze zich terugtrokken. Precies op dat moment stoof Klaus mijn kamer binnen — poedelnaakt, bloedend, pistool in de hand. De tussenliggende deur werd met een klap achter hem dichtgetrokken. Hij had ook bezoek gehad.

Een derde hand, die via een luchtrooster zijn kamer probeerde binnen te dringen, werd door Klaus genadeloos neergeschoten. Er bleef er nog één over. Die bevond zich nog in zijn kamer. Ik twijfelde geen moment en stormde naar binnen.

Had ik dat maar niet gedaan.

Misschien was het de uitputting. Of gewoon pech. Maar deze laatste hand was sneller dan ik. Ze sprong op mijn gezicht en klauwde. Ik voelde vingers achter mijn oog duwen, alsof ze zochten naar een greep. En toen — met een zompige, huiveringwekkende plop — werd mijn oogkas leeggerukt. Pijn. Waanzin. Verbijstering. Ik zag nog net hoe het wezentje zich met mijn oog uit de voeten maakte.

We werden per ommegaande naar het hospitaal vervoerd. Ik, met mijn verwrongen gezicht en lege kas. Klaus, gehavend en bebloed.

Terwijl de morfine mijn aderen indreef en mijn pijn dofde, werd mijn geest wakker op een andere plaats. Een visioen. Ik zag hoe mensen door een steeg renden. Naar een stilstaande auto, die met een piepende draai wegreed. Maar ik was er ook. Ik keek mee. Of beter: ík keek. Door ogen die niet de mijne waren — en toch… wel.

Er volgden meer beelden. Een rit de stad uit. Bergpassen. Een druipsteengrot. Donkere gewaden. Prehistorische muurschilderingen met Romeinse cijfers. En de afschuwelijke zekerheid dat mijn gestolen oog daar was — en nu diende als venster voor iemand anders. Waarom?

Het zou logisch zijn geweest om in het hospitaal te blijven. Onze verwondingen vereisten rust, aandacht. Maar logica is een luxe die we ons zelden kunnen veroorloven. We hadden een afspraak met Dr. Jordanov over het manuscript van Ivo Penev. Tegen het advies van elke arts en zuster in, verlieten Klaus en ik het ziekenhuis.

Zijn kantoor bleek een chaos van papieren, boeken en oude spullen. En toch was het Klaus die — alsof het lot hem bijstond — vrijwel direct het manuscript vond. Ivo Penev had zich verdiept in het hoofd van het afgodsbeeld. Zijn werk had de toon van een occult traktaat. Maar het bood aanwijzingen. Het hoofd waar wij naar op zoek waren zou zich, als de geschriften klopten, hier aan de universiteit bevinden. Onder toezicht van een zekere professor Chedenko.

Met enige tegenzin besloten Klaus en ik tot een korte, maar toch ook noodzakelijke adempauze. Het weekend was begonnen, de universiteit gesloten. En wij — verwond, vermoeid, verward — moesten ademhalen. Twee dagen rust, die hemel zij dank verliepen zonder incidenten.

Het is nu maandag. Klaus en ik zijn klaar om te vertrekken naar de universiteit. Misschien vinden we het artefact. Misschien vinden we antwoorden. En misschien, heel misschien, vinden we waarom deze groep cultisten het noodzakelijk vond mij op deze wijze nog verder te verminken. En waar zij zich bevinden.