❧ woensdag 14 februari 1923

Mijn voorgevoel was juist. Het is geen paranoia als er werkelijk iemand achter je aan zit. Voor Fenalik was de tijd gekomen om toe te slaan. Nu wij het simulacrum compleet hadden, waren we voor hem niet langer van nut. Gelukkig hadden we dat voorzien en voorbereidingen getroffen — al bleken die niet voldoende om de dood van een onschuldig meisje te voorkomen…
Voordat we aan boord van de Orient Express gingen, hadden we — naast enkele uren slaap — vrijwel alle knoflook uit de hotelkeuken meegenomen. Daarnaast hadden we een aantal houten staken geslepen tot vlijmscherpe punten. Eén daarvan was voorzien van schroefdraad, zodat ik hem op mijn prothese kon bevestigen.
Aan het begin van de avond vertrokken we vanaf een mistig perron voor de laatste etappe richting Constantinopel. We hielden scherp in de gaten of er wellicht een grafkist aan boord werd gebracht, maar zonder resultaat. We besloten zo veel mogelijk in onze coupé te blijven en de hutkoffer, tot de rand gevuld met knoflook, geen moment uit het oog te verliezen. Het avondeten lieten we daarom bezorgen in plaats van de restauratiewagon te bezoeken.

Nog vóór het eten arriveerde, liet Fenalik zich echter al gelden. Een mannenstem in de gang die toegang eiste om het simulacrum op te eisen. Een vleermuis in de trein. Ogen in de duisternis buiten de ramen. Fenalik had besloten geen tijd te verspillen.
Kort daarop klonk de stem van een klein meisje. Namens onze vijand eiste zij het artefact op, in ruil voor ons leven. Hij verlangde het als huid, zo zei hij. Uiteraard weigerden wij. Daarop toonde hij zijn weerzinwekkende macht over anderen.
Drie maal klonk een zware dreun tegen de wand, gevolgd door het doffe geluid van iets dat op de grond viel. Ik trok lijkbleek weg. Een voorzichtige blik buiten de coupé onthulde de afschuwelijke waarheid — hij had het meisje gedwongen haar eigen hoofd te verbrijzelen. Niemand aan boord was veilig.
Het treinpersoneel geloofde ons gelukkig toen wij verklaarden niets met haar dood te maken te hebben. We boden aan te helpen het lichaam naar de bagagewagon te brengen, in de hoop daar alsnog Fenaliks kist te vinden. Dat betekende wel dat we onze coupé onbeheerd moesten achterlaten, vertrouwend op de knoflook bij de deur als enige bescherming.

Onderweg sloeg Fenalik opnieuw toe. Een andere passagier stond onder zijn invloed en achtervolgde ons. Wederom eiste hij wat hij begeerde, maar ditmaal met een nieuwe dreiging: als wij niet gehoorzaamden, zou hij een bloedbad aanrichten in de trein. Alleen wij konden dat voorkomen. We hadden nauwelijks een keuze — behalve hopen dat hij zichzelf zou blootgeven.
Aanvankelijk gebeurde dat niet. De gehypnotiseerde man betrad onze coupé en werd door Klaus buiten bewustzijn geslagen. In de gang was Fenalik ons als een mistachtige schim gevolgd, maar verdween onmiddellijk toen ik hem opmerkte.
De tweede poging slaagde wél. Ditmaal had hij François, de hoofdconducteur, onder zijn controle. Om Fenalik uit te lokken verwijderde ik de knoflook bij onze deur. Of dat de doorslag gaf weet ik niet, maar toen ik hem zag — in zijn eigen walgelijke, verschrompelde gestalte — aarzelde ik geen moment en viel hem aan met mijn vastgeschroefde staak.

Hij was snel, dat wisten we. Maar hemel zij dank bleken de knoflookkettingen die Klaus en ik droegen hem te desoriënteren. De strijd was wonderlijk kort. Na enkele bijzonder rake steken loste Fenaliks stoffelijke vorm op in een wolk van mist. Een overwinning — maar geen einde.
De mist schoot met hoge snelheid richting de achterkant van de trein, naar de bagagewagon, met ons op de hielen. Daar stond opnieuw een gehypnotiseerde man, ditmaal bewapend met een shotgun. Na een korte worsteling wist Klaus hem met zijn wandelstok buiten bewustzijn te slaan. Met één van mijn kousen bonden we zijn handen vast, waarna we de wagon betraden.

Na een korte zoektocht vonden we wat we vreesden: een grote kist, met daarin een kleinere — een lijkkist. Met veel moeite forceerden we de sloten die Fenalik beschermden en braken we het deksel open.

Daar lag hij, zijn wonden reeds gedeeltelijk geheeld. Opnieuw volgde een wanhopige strijd, maar ook deze keer wisten wij hem te overmeesteren. Nadat we de grafgrond uit de kist hadden gegooid, verspreid en uit de trein geveegd, bleek één laatste staak door zijn hart voldoende. Wat overbleef was slechts stof.
Fenalik was niet meer.
Om absoluut zeker te zijn wachtten we tot het ochtendgloren, zodat zowel zijn kist als het resterende stof door het zonlicht konden worden verteerd. Pas daarna zochten we eindelijk onze bedden op.
Weldra zullen we het station van Constantinopel binnenrijden. Hopelijk zijn we voldoende scherp — en uitgerust — voor wat nog komen gaat.