Wat te doen? Slechts enkele honderden meters scheiden ons van de kliniek van dokter Belenzada, en Klaus verkeert in zorgwekkende toestand.
Onze eerste indruk van het complex, verscholen tussen de bomen, was allerminst uitnodigend. Geen open armen, geen vriendelijke lantaarns die bezoekers welkom heten. En toch, daarbinnen bevinden zich medische faciliteiten—en, naar men zegt, een dokter van aanzien. Bovendien schijnt Belenzada een goede vriend te zijn van Yazmina’s vader. Hebben wij ons wellicht te snel laten leiden door achterdocht?
De bewapende oorlogsveteranen die hier de wacht houden, maakten aanvankelijk een weinig gastvrije indruk. Maar na wat wij zojuist hebben aanschouwd—dat gruwelijke wezen—kan hun aanwezigheid nauwelijks als overbodig worden bestempeld. Wellicht verdient dit oord een heroverweging?
Blijven wij op onze hoede en vervolgen wij onze tocht naar Vinkovci en het hospitaal aldaar? Of keren wij terug naar de kliniek? Ik acht het verstandig de keuze aan de zwaargewonde Klaus te laten.
Ik staar in de spiegel en zie wat zij zien—de littekens, de striemen, de asymmetrie. Ik hoor wat ze denken—ze is beschadigd, verminkt, afgeschreven. Hun ogen dwalen niet verder dan de littekens, hun blikken wenden zich af na het zien van de stomp van mijn arm. Alsof mijn huid en lichaam barrières zijn, misvormingen die mijn wezen verbergen onder de oppervlakte van imperfectie.
Ik voel hun ogen, afwijzend en gevangen in wat was en nooit in wat nog is. Ze zien het reliëf van mijn verleden, maar niet de diepte van mijn overtuiging. De spiegel, koud en meedogenloos, weerspiegelt slechts de imperfecties van mijn lichaam, maar niet het verhaal erachter, de offers die het bracht voor de menselijke soort.
Binnenin mij schreeuwt iets, klauwt iets, hunkert iets naar een blik die mij echt ziet. Maar er is alleen de oneindige leegte van het universum.
Klaus, Jazmina en ik hadden er geen goed gevoel bij toen we hoorden dat de reporter verantwoordelijk voor het artikel over de opgravingen, Vesna Femic, al enkele dagen niet op haar werk was verschenen. Een bezoek aan haar huisadres was daarom de volgende stap van ons onderzoek. En ons voorgevoel bleek helaas te kloppen—in Vesna’s kleine huisje vonden we verschillende aanwijzingen die erop wezen dat ze op gewelddadige wijze, opgerold in een vloerkleed, was ontvoerd. In haar achtergebleven winterjas troffen we haar notitieblokje aan met daarin de naam en een briefje van een student van Dragomir Moric, genaamd Lazar Andic, met wie ze recent aan een artikel had gewerkt en een locatie waar hij haar wilde ontmoeten, de Rose Garden.
“Hij weet het. Ontsloeg ons en sloot. Ontbood dochter. Gedroeg zich raar. Vertel je vanavond meer in Rose Garden. Zelfde kamer. L.”
De Rose Garden bleek een plek voor kamertjesverhuur, die met name gebruikt werd voor ontmoetingen met prostituees. Na het toestoppen van wat geld aan de uitbater leerden we dat Lazar hier inderdaad tot enkele dagen geleden een kamer huurde, maar plotsklaps was verdwenen. Ook hier ontbrak er een tapijt.
In de steeg naast de Rose Garden werd onze vrees bewaarheid. In twee opgerolde bloederige vloerkleden troffen we de naakte, ontzielde lichamen aan van zowel Vesna als Lazar, hun schedels ingeslagen tot de dood erop had gevolgd. Wat zou er zo belangrijk zijn aan de opgraving dat moord op deze twee arme zielen rechtvaardigde? En wie zouden ervoor verantwoordelijk kunnen zijn?
Misschien dat dokter Goran Belenzada, de goede vriend van Dr. Moric ons meer zou kunnen vertellen. Op naar het hospitaal dus. Daar aangekomen bleek hij enkel in de ochtend daar te werken, maar ’s middags onderzoek uit te voeren in zijn eigen privékliniek. De oorlog had ook in deze contreien voor veel soldaten met missende ledematen gezorgd en dokter Belenzada deed onderzoek op dit gebied. Wat dat onderzoek precies inhield kon de zuster in het ziekenhuis ons helaas niet vertellen, maar het maakte mij uiteraard wel nieuwsgierig.
Aangezien de middag inmiddels ten einde was gekomen, besloten we dat de dokter bezoeken bij zijn kliniek tot morgen zou moeten wachten, maar we wilden toch wel alvast even een blik werpen op het gebouw. Na het diner pakten we daarom een taxi naar het ommuurde complex dat even buiten de stad lag.
Het gebouw bleek geheel omgeven te zijn door een muur en te worden bewaakt. We lieten ons buiten het zicht van de bewaker (die een been miste) afzetten in het inmiddels donkere woud. Over de muren van het complex glurend, zagen we dat die ene bewaker niet de enige aanwezige was, maar dat er meerdere collega’s van hem aanwezig waren, ook allen met geamputeerde ledematen. Het voelde allemaal behoorlijk geheimzinnig aan en ik kon niet wachten om bij daglicht een officieel bezoek te gaan brengen.
Op de terugweg echter, op enkele honderden meters van het complex van dokter Belenzada, kwam er plots een monsterlijke gedaante uit het bos op ons afrennen. Het wezen had een menselijke gestalte, maar een mens was het zeker niet. Het bleek een onheilige samensmelting van dierlijke en menselijke ledematen. En het was vijandig, zeer vijandig. En sterk. Pistoolkogels leken het weinig te deren en pas na drie dynamietstaven van Klaus en mijn meest machtige bezwering zakte het wezen levenloos ineen.
Maar niet voordat het ons ernstig had toegetakeld. Klaus had zichzelf zwaar weten te verwonden met zijn laatste staaf dynamiet, terwijl de krachtige, scherpe klauwen van het wezen diepe wonden hadden achtergelaten in mijn eigen lichaam. Mijn magie had weliswaar het bloeden doen stoppen, maar het kan niet anders dan dat ik hier littekens aan ga overhouden. Alweer.
Jazmina staat zich nu te ontfermen over Klaus. Ja, ik snap dat de man dringend medische verzorging nodig heeft, maar ik dan? Al Klaus z’n ledematen zitten er zo te zien nog gewoon aan en het is niet alsof hij nu direct aan het doodgaan is. Misschien houdt ie er wat littekens aan over, maar bij mannen is dat geen probleem.
Ik word daar daarentegen wel op beoordeeld en afgerekend. Voor een vrouw als ik is het uiterlijk werkelijk belangrijk in deze wereld. Mensen kijken al met afkeer naar me, naar mijn verminking, mijn handicap. Dat ik mij niet binnenhuis verstop en een teruggetrokken bestaan leef als dankbare echtgenote van een of andere man die zich over zo’n arme vrouw ontfermt. Tot overmaat van ramp ruïneerde die verdomde staaf dynamiet van Klaus mijn kapsel en jurk. Gaten, brandplekken—ik zie er niet uit! En m’n prothese is ook weer eens stuk. Klaus en z’n vervloekte dynamietstaven ook. Ik ben het gezicht van deze operatie, hou daar verdomme rekening mee!
Ja, natuurlijk moeten we voor Klaus nu medische zorg regelen. Misschien terug naar de mysterieuze kliniek van dokter Moric waar we net vandaan komen of naar het hospitaal in de stad. Maar ik durf te wedden dat ze mij waar dan ook de toegang gaan weigeren: een of andere smerige en verwilderde eenarmige heks in een in flarden gescheurde en verbrande jurk. Ik zou mezelf ook niet binnenlaten.
Nadat onze bagage van boord was gehaald wachtten we met de andere passagiers op de taxi’s die ons naar het jachtverblijf zouden brengen. Tijdens het wachten zagen wij een jongedame die zich angstig tussen een verzameling koffers probeerde te verstoppen voor een wat oudere man een zeer onvriendelijke blik in zijn ogen. Vlak daarna zagen we dat zij zich uit de voeten maakte richting de toiletten op het moment dat de bewuste man de andere kant op keek. Ik besloot haar te volgen, terwijl Klaus de man in de gaten hield.
In de toiletruimte hoorde ik vanuit een van de toiletten het geluid van het laden van een pistool. Het was de jongedame en ze bereidde zich blijkbaar voor op een gewapende confrontatie. Gelukkig slaagde ik erin om contact te maken en haar enigszins te kalmeren. Haar naam was Jazmina Moric en ze was hier omdat haar vader haar om hulp had gevraagd. Haar vader bleek de archeoloog verantwoordelijk voor de opgraving uit de krant.
Jazmina had geen idee wie de onbekende man buiten was, maar het voorspelde weinig goeds. Duistere, onbekende krachten bleken interesse te hebben in objecten uit haar vaders opgraving. Ik besloot dat Jazmina het beschermen waard was en bood aan dat Klaus en ik met haar een taxi zouden delen voor haar veiligheid. Toen we enkele minuten later de toiletruimte verlieten, bleek dat ik de ernst van de situatie zeker niet had onderschat.
Vlak voordat we in een taxi wilden stappen kwam er een voertuig aanrijden met nog twee bewapende mannen die Jazmina wilden ontvoeren. Ze bevolen Klaus en mij ons afzijdig te houden. Dat ging dus mooi niet gebeuren. Op een haar na kwam het tot een geweldsuitbarsting, maar we slaagden er wonderwel in om veilig in de taxi te geraken. Die bracht ons naar onze volgende bestemming, het hotel waar Jazmina verbleef. In de taxi vertaalde ze voor ons het gehele krantenartikel.
Het graf van de kruisvaarder onthuld!
Drie maanden geleden werden de bouwwerkzaamheden aan de Nikola P. Pašić-school stilgelegd toen arbeiders tijdens het graven van een fundering een ondergrondse structuur ontdekten. Dr. Dragomir Moric, een archeoloog van de Universiteit van Zagreb, identificeerde de site als een kruisvaardersgraf uit de 12e of 13e eeuw. Het team van Dr. Moric begon met opgravingen, en sindsdien is er geen informatie openbaar gemaakt. Maar deze verslaggever heeft via een exclusieve bron vernomen dat het kruisvaardersgraf meer een bibliotheek dan een laatste rustplaats is. De site is gevuld met documenten en schatten die door kruisvaarders werden geroofd uit Constantinopel tijdens hun terugkeer van de Vierde Kruistocht.
Waarom zou Dr. Moric deze ontdekkingen geheim houden? Mijn bron informeert me dat een prominente Kroatische kruisvaarder, Heer Miho van Dubrovnik, verbonden is met deze locatie. Probeert Dr. Moric, zelf een Kroaat, het feit te verbergen dat Heer Miho dit graf creëerde om schatten te verbergen die hij tijdens de plundering van Constantinopel had geroofd? Beschermt Dr. Moric een oud familiegeheim dat door de eeuwen heen is doorgegeven?
Deze ontdekking behoort toe aan de mensen van Vinkovci, en wij hopen dat Dr. Moric uit Zagreb binnenkort een volledig verslag van zijn bevindingen zal geven.
Aangekomen in het hotel bleek Jazmina’s vader een cryptisch briefje bij de receptie te hebben achtergelaten voor zijn dochter:
Zagrebacka / Zvonarska / Kralja Zvonimia Wees voorzichtig. Ik hou van je.
Jazmina liet ons vervolgens ook de brief lezen die ze van haar vader had ontvangen.
Liefste Jazmina,
Deze plek is zeer ongewoon. Ik ben er zeker van dat de structuur geen graf is. Ik heb meer geleerd over de Orde van het Nobele Schild en hun geschiedenis…veel daarvan zou niet openbaar moeten worden gemaakt. Details van de opgraving, inclusief foto’s van de locatie, zijn gelekt naar de lokale pers. Het verhaal was bedoeld als een aanval op mijn reputatie, maar nu vrees ik voor de veiligheid van de vondst.
Er zijn verschillende documenten en artefacten die bijzonder waardevol zouden zijn voor een gewetenloze verzamelaar. Het spijt me dat ik vaag blijf, maar ik durf niet meer te schrijven in geval deze brief onderschept wordt. Ik weet niet wie ik kan vertrouwen; iemand in mijn team werkt waarschijnlijk tegen me. Ik heb je nodig in Vinkovci, en wel meteen. Ik wacht op je in Hotel Lehrner.
Vertel niemand dat je komt. Als ik er niet ben, laat ik een bericht voor je achter bij de receptie. Zodra je in de stad aankomt, spreek niemand aan, ga direct naar het hotel. Ik leg je alles persoonlijk uit. Hopelijk heb ik het meeste al opgelost tegen de tijd dat je arriveert. Het spijt me dat ik je mogelijk in gevaar breng, maar ik weet niet meer wie ik kan vertrouwen.
Breng alsjeblieft mijn dienstrevolver mee en de doos met munitie die ik in mijn studeerkamer bewaar. Ze liggen naast mijn favoriete boek; je weet vast wel welk boek ik bedoel.
Met alle liefde, Vader
Na onze ook eigen bagage te hebben gestald in het jachtverblijf, vertrokken we naar het logeeradres van Dr. Moric. Daar bleek dat de beste man al een aantal dagen niet meer thuis was gekomen. Helaas vonden we weinig aanwijzingen die een hint gaven waar hij heen zou kunnen zijn of wat er mogelijk was gebeurd.
Onze volgende stap was dan maar het bezoeken van de opgraving. Niet geheel verrassend was deze naast verlaten, en tevens geheel ontdaan van de opgegraven voorwerpen. Het enige wat er nog lag, was een lege, kleine sarcofaag, nog geen meter lang. Aan de binnenkant van het deksel troffen we een tekst aan in het Latijn die sprak over bescherming tegen “De Slangenklauw, brenger van pijn en verdriet.” En, tot mijn consternatie, bleek er ook een krachtig occult symbool aangebracht. Ik herkende het als een Elder Sign, bescherming biedt tegen duistere krachten. Wat voor sinister object was hier precies opgegraven en wie wilden het bezitten?
De reporter die het artikel in de lokale krant had geschreven bleek ook al een aantal dagen niet op haar werk te zijn verschenen en kon ons dus ook al niet verder helpen. We zitten nog steeds met vele vragen en weinig aanknopingspunten. Ik heb er al met al een naar gevoel bij, maar kan niet ontkennen tegelijkertijd zeer geïnteresseerd te zijn in waar we precies mee te maken hebben.
Nadat Klaus en ik de maaltijd hadden genoten in de restauratiewagon, keerden wij terug in onze coupé om daar tot een verontrustende ontdekking te komen. Iemand (of iets) had het slot van de koffer met de onderdelen van de Sedefkar Simulacrum weten te openen, de ledematen eruit gehaald en deze vervolgens op mijn bed onder de dekens uitgespreid, alsof er een lijk in mijn bed lag of dat er iemand in lag te slapen. Er waren geen sporen van braak te zien, hoewel de deur op slot was, en er was verder niets overhoop gehaald. Echter, het raam van onze wagon stond op een kier. Mijn gedachten gingen direct uit naar wie ik, tot het tegendeel bewezen is, de vampier Fenalik noem. Als dat zo is, speelt hij met ons en laat hij zien dat hij te allen tijde bij machte is om onze missie te doen falen en er met de delen van het artefact vandoor te gaan. De vraag rest dan wel: waarom doet hij dat niet? Een vraag die ik niet kan beantwoorden, maar het bevalt me allerminst.
De zo gewenste nachtrust die hierop volgde werd ’s ochtends vroeg rond de klok van zes uur wreed onderbroken. De trein kwam piepend en krakend tot stilstand in niemandsland wegens een technisch probleem, zo werd ons verteld. Tijd voor een vroeg ontbijt dus maar. Twee uur later werd onze reis hervat, maar slechts voor korte tijd, zo zou blijken. Niet veel later reden we in alle vroegte het station van het stadje Vinkovci binnen.
Terwijl we wachtten op meer nieuws zagen we in de lokale trein een artikel over opgravingen in de stad. Het artikel was in het Kroatisch, maar de bijbehorende afbeelding en enkele herkenbare steekwoorden deden ons vermoeden dat het opgravingen uit de tijd van de Tempeliers en de Kruistochten betrof.
Al snel bleek dat de trein voorlopig echt niet verder zou gaan en er sprake zou zijn van enkele dagen oponthoud. Verderop het traject was een aanslag gepleegd door anarchisten, waardoor er reparaties aan het spoor moesten plaatsvinden. De Orient Express organisatie had kamers voor ons geregeld in een lokaal jachtverblijf tot we verder konden. Onverwacht was er dus gelegenheid om de opgravingen te gaan bekijken, hetgeen mogelijk interessant zou kunnen zijn, aangezien de Turk Sedefkar in die periode van de geschiedenis leefde.
Er zou echter al snel blijken dat er van alles aan de hand was rondom deze archeologische vondst. Daarover snel meer.
Bij de Heilige Maagd, dat was intens. Dat we zonder noemenswaardige kleerscheuren uit Trieste en de chaos van de Postumia grotten zijn ontsnapt mag een wonder genoemd worden. Maar we hebben het overleefd, mét het rechterbeen van de Sedefkar Simulacrum.
De zaterdag begon relatief rustig. Ondanks wederom een slechte nachtrust van Klaus, begonnen we in relatieve rust aan het vervolg van onze zoektocht naar antwoorden. De visioenen van Bacchus gaven ons aanleiding om connecties tussen de god uit de klassieke oudheid en deze stad te zoeken. In de bibliotheek vonden we een mogelijk antwoord: een afbeelding van een poort in een straat hier in de stad: de Via Marco Polo. De afbeelding die we vonden was ook nagenoeg dezelfde als op het grafmonument van Johann Winckelmann. Dat kon geen toeval zijn. Ik vermoedde ook al dat de geest die ons achtervolgde mogelijk die van de beroemde archeoloog was die ons iets wilde vertellen.
Het bewuste gebouw was relatief eenvoudig te vinden. Het bleek een al jaren verlaten herberg te zijn. Na onszelf toegang te hebben verschaft, doorzochten we het door ratten geïnfesteerde pand. In de kelder werden mijn eerdere vermoedens bevestigd. We zagen onszelf geconfronteerd met de geest van Winkelmann die ons wees op een zakje dat hij hier had achtergelaten. In een holle ruimte bij een muur vonden wij het object waar wij eerder al zo nieuwsgierig naar waren: het ontbrekende medaillon uit de collectie van acht.
Toen ik het oppakte werd ik verrast door een korte elektrische schok. Dit was geen normaal medaillon! Het was ook versierd met een occult figuur en allerhande onontcijferbare Aklo tekens. Toen wij ons even later weer buiten het desolate pand stonden, werd duidelijk welke kracht het artefact in ieder geval bevatte: ik bemerkte niets meer van het ijzig koude weer. Net als op eerdere momenten bemerkten dat fez-dragende figuren ons observeerden. Het amulet hield ik angstvallig uit het zicht.
De zondag begon met een bezoek aan Marcius Montanelli, die de vertaling van het dagboek voor ons gereed had. Winkelmann beschreef daarin hoe een cultus, naar ons vermoeden geleid door een lloigor, op zoek was naar het amulet en hem kwelde in zijn slaap. Winkelmann schreef dat deze cult het amulet nodig zou hebben om een entiteit uit het Arctische ijs te kunnen bevrijden. Winkelmann beschreef ook de angst dat Arcangeli hem iets aan zou doen omwille van het amulet—een vrees die helaas bewaarheid zou worden.
Met deze nieuwe kennis in ons bezit togen we wederom naar de bibliotheek voor aanvullend onderzoek. Daar ontmoetten we opnieuw de mysterieuze man zonder handen en, zo bleek, ook geen tong. In tegenstelling tot onze eerdere ontmoeting, zocht hij nu wel contact. Sterker nog: hij verzocht ons hem te volgen. Naar zijn huis, zo bleek, of eerder een bouwval waar hij zijn toevlucht nam. We leerden dat zijn naam Helmut Grossinger was en, in het verleden, net als wij, een onderzoeker was naar het occulte. Zijn handen en tong waren hem jaren geleden als straf ontnomen door die vervloekte lloigor cultus hier in de stad. Zijn handen leken wel te zijn weggesmolten. Arme man.
Hij liet ons enige half vergane passages lezen uit het dagboek dat hij ooit bijhield:
… teruggaand naar het Romeinse Tergeste, hoewel Von Junzt suggereert dat de cultus mogelijk een overleving is uit veel oudere tijden … … lijken de voorkeur te geven aan het leven (wonen?) in grotten onder het oppervlak. De overvloedige karstgrottenformaties in deze omgeving (de naam is afgeleid van “Grast”; de Sloveense naam voor dit gebied) zouden ideaal zijn … … afkomstig van een andere plaats (Andromedanevel? De Vermiis Mysteriis). Ze kunnen zich manifesteren als … …”mensenvis”… zichtbaar door de huid… inwendige organen… kloppend en glinsterend … … Ghatanothoa. Anderen zouden de windwandelaar, Itha…, aanbidden. … hoorde hen praten over een taak die hun meesters vele jaren geleden aan de cultus hadden opgedragen, maar die nog steeds niet was voltooid. Onbepaalde straffen werden … … vingers, tenen, ogen, ledematen … aangehecht aan het lichaam … kunnen uit eigen beweging bewegen of op de wil van … … opdracht gekregen om alert te blijven en om alle artefacten die mogelijk magische kracht bezitten te bemachtigen en aan de onzichtbare… aan te bieden.
Hoewel alles erop wees dat het vermoedelijk zeer onverstandig en gevaarlijk was om deze lloigor-cultus, of wat er nog van over was, te gaan zoeken bij de Postumia grotten, was dat toch datgene dat Klaus en ik besloten te gaan doen de volgende dag. Er was tenslotte een zekere kans dat het onderdeel van de Sedefkar Simulacrum zich hier bevond.
Na een korte treinreis arriveerden we gisterochtend bij de ingang van het grottencomplex. Samen met een groep andere toeristen begonnen we aan een rondleiding door de adembenemende druipsteengrotten. Er hing echter een ongrijpbare spanning in de lucht. Toen plotseling de verlichting werd gedoofd, wist ik dat er iets niet klopte. Onmiddellijk trok ik mijn pistool, alert op wat komen ging.
Kort daarna sprongen de lichten weer aan, en ik zag dat ik onder schot werd gehouden. Het wapen werd vastgehouden door niemand minder dan onze gids, Carlo. Hij eiste dat ik het amulet aan hem zou overhandigen. Vastbesloten richtte ik mijn eigen pistool op hem en ontkende het amulet bij me te hebben. De spanning was te snijden; maar het leek erop dat een onderhandeling op handen was.
Maar voordat er meer woorden konden worden gewisseld, brak de hel los. Vanuit de duisternis klonk het ratelen van vuurwapens: een tweede groep cultisten, allen met felrode fezzen op hun hoofd, viel de lloigor-cultisten van Carlo aan. Het rustige grottenbezoek veranderde in een ogenblik in een slagveld. De lloigor-cultisten waren echter meer dan gewapend—sommigen hadden tentakels in plaats van ledematen, waarmee ze op afschuwelijke wijze hun tegenstanders te lijf gingen.
Wat zich voor onze ogen ontvouwde, was een bloedbad. De twee groepen cultisten bevochten elkaar met een meedogenloosheid die de menselijke verbeelding te boven ging. Klaus en ik bevonden ons midden in deze waanzin, omringd door dood en verderf. Eén ding was duidelijk: we moesten hier weg, en snel, voordat we zelf in de chaos zouden worden meegesleurd.
Hemelzijdank slaagden Klaus en ik erin om te midden van de chaos een veilige schuilplaats te vinden. Het kan niet anders dan de hand van de Goddelijke Voorzienigheid zijn geweest die ervoor zorgde dat zich in die bewuste ruimte ook het rechterbeen van de simulacrum bevond. Hoewel het enige inspanning vergde om het los te maken, wisten we ook dit kostbare artefact in ons bezit te krijgen.
Onze triomf werd echter overschaduwd door een laatste, huiveringwekkende confrontatie met Antonio Termona. Zijn linkerarm, volledig vervangen door een kronkelende tentakel, was een gruwelijke bevestiging van de onmenselijke transformatie die hij had doorgemaakt. Uitgeput en met moeite mijn geestelijke vermogens bijeenhoudend na alles wat ik had aanschouwd, overhandigde ik het amulet in ruil voor een veilige aftocht.
Nu, een dag later, bevinden we ons in de Orient Express onderweg naar onze volgende bestemming. Ik ben opgelucht dat we de ijzige kou van Trieste achter ons hebben gelaten. Toch vreest mijn hart dat dit slechts het begin is, en dat ons nog veel grotere verschrikkingen te wachten staan. Ik voel de pijn en een groeiend ongemak aan mijn ledematen, de sinistere invloed van de artefacten. Daarnaast knagen de huiveringwekkende dingen die ik recentelijk heb gezien en ervaren aan mijn geest. Mijn ziel wordt belaagd, en ik voel dat de grens tussen rede en waanzin angstvallig dun wordt. Maar ik heb geen keuze. Terugkeren is geen optie. De enige weg is vooruit.
Ave Maria, gratia plena, Dominus tecum, benedicta tu in mulieribus, et benedictus Fructus ventris tui, Iesus. Sancta Maria, Mater Dei, ora pro nobis peccatoribus, nunc et in hora mortis nostrae. Amen.
Nog trillend van de gebeurtenissen van gisteravond en vannacht, schrijf ik dit bericht. In mijn leven heb ik al veel zaken gezien die zich buiten de gewone wereldlijke realiteit afspelen, maar deze verschijningen waren van een geheel andere orde. Het spookt hier in Trieste, en het lijkt erop dat het spook—als het dat is—het op Klaus en mij heeft gemunt. Maar laat ik bij het begin beginnen: onze aankomst in deze mysterieuze stad.
We arriveerden gisteravond, toen de schemering al was gevallen. De duisternis had Trieste volledig omhuld tegen de tijd dat onze trein het station binnenreed. Bij het uitstappen werden we meteen begroet door een ijzige wind, een storm zelfs. Dit was de beruchte Bora-wind, werd ons verteld, maar zo hard en koud als nu, komt deze zelden voor.
Vanwege het stormachtige weer stonden de paarden op stal, en een gemotoriseerde taxi was onze enige optie om het hotel te bereiken. Klaus had gekozen voor het Savoia Excelsior Palace. Bij het uitstappen uit de auto sloeg een onverwachte windvlaag me omver, maar gelukkig ontsnapte ik ternauwernood aan een nare val.
Na het inchecken en het opbergen van onze bagage gingen we naar beneden voor een laat diner. Klaus waagde zich aan een kreeft, waarvan het ontleden ervan geen groot succes bleek, terwijl ik koos voor een visschotel. Het was tijdens dit diner dat Klaus opmerkte dat we in de gaten werden gehouden. Een Turkse man met een fez zat een eindje verderop en wierp regelmatig blikken in onze richting. Toen Klaus besloot op hem af te stappen, vouwde de man zijn krant op en verdween haastig. We waren weliswaar nieuwsgierig naar de man en diens bestemming, maar besloten toch af te zien van een achtervolging.
De volgende ochtend werden we, ondanks Klaus’ verstoorde nachtrust door nachtmerries en de nog steeds guur waaiende Bora, vroeg wakker om op pad te gaan. De informatie van Beddows uit Londen bracht ons naar het museum, waar we op zoek moesten naar ene Johann Winckelmann. Bij aankomst in het steenkoude park bij het museum beseften we pas dat deze man al 150 jaar dood was, begraven onder een imposant monument.
Het monument was op zichzelf fascinerend. Winckelmann, de grondlegger van de moderne archeologie, had een voorliefde voor de klassieke oudheid, en zijn tombe was rijkelijk versierd met mythologische figuren. Maar er was iets vreemds. De Amazonen die erop afgebeeld waren, vochten tegen wezens die niet uit de klassieke oudheid leken te komen—oosterse draken of hagedissen. In werkelijkheid waren het echter lloigors, wezens die we eerder hadden gezien bij het Danvers State Sanatorium. Een occulte connectie? En opvallend genoeg waren de afbeeldingen van de lloigors onaangetast door de tijd, terwijl de menselijke figuren verweerd en beschadigd waren.
In het museum leerden we dat Winckelmann was vermoord vanwege enkele medaillons, waarvan er zeven in de collectie van het museum waren, maar eentje ontbrak. De medaillons vertoonden klassieke scènes zoals de val van Troje, en waren gedoneerd door Marcus Termona, wiens zoon Antonio nog in de buurt woonde. We besloten hem een bezoek te brengen. We werden echter nog even afgeleid door een andere bezoeker in de bibliotheek, een man zonder handen die een oud werk in het Latijn aan het lezen was. Helaas bracht Klaus de man dusdanig van de wijs dat hij in allerijl het pand verliet.
Dit alles bracht ons nog niet dichterbij het achterhalen van de mogelijke locatie van het volgende deel van de Sedefkar Simulacrum. Winkelmann was al 20 jaar dood toen het artefact hier mogelijk verzeild raakte. We vonden wel een politierapport uit die tijd waarvan wij vermoedden dat het object erin vernoemd werd. Echter raakten we het spoor daarvan vooralsnog bijster vanaf het moment dat het centraal stond bij een dodelijke schermutseling buiten een taverne. Bij het teruglezen van dat document gingen mijn wenkbrauwen zojuist weer even omhoog bij het lezen van het woord ‘monster’ en de naam van de taverne—Caverna Dei Rettili, de reptielengrot. Hmm…
Bij Antonio Termona werden we ontvangen door een imposante butler met een ooglapje. Terwijl we wachtten, viel ons oog op een verzameling eigenaardige, mogelijk occulte, curiositeiten, alles bedekt met een glanzende laag glazuur. Antonio zelf, gekleed in een pak met een lege mouw, vertelde dat hij zijn arm had verloren in de oorlog. Maar Klaus vermoedde dat dit niet de waarheid was en beweerde dat hij iets zag bewegen in de lege mouw.
Hoewel Antonio geen informatie had over het ontbrekende medaillon, bezat hij wel het dagboek van Winckelmann, geschreven in Oudgrieks. Hij gaf het ons mee met de suggestie dat een vriend van hem, Marcius Montanelli, het voor ons kon vertalen.
Bij Montanelli, een man met een afgedekt ontbrekend been, bekroop ons hetzelfde gevoel als bij Antonio—bewegingen waar geen ledematen meer waren. Iets tentakeligs? We vermoedden iets, maar slaagden er niet in om er achter te komen. In ieder geval bleek hij bereid de vertaling van het dagboek voor zijn rekening te nemen, een taak die twee dagen zou gaan kosten.
Op de terugweg merkten we dat we werden gevolgd door een lange jongeman met felrood haar. Het kostte ons weinig moeite hem in een steegje te confronteren, maar hij kwam met een slap excuus. Later zagen we hem echter opnieuw, dit keer werd hij met geweld in een auto gesleurd. Wat was hier aan de hand?
Onze poging om de dag rustig af te sluiten in het hotel liep anders dan gehoopt. De stroom was uitgevallen, en we dineerden bij kaarslicht. Dat was nog te overzien, maar de visioenen die volgden waren angstaanjagend.
Zowel Klaus als ikzelf werden op verschillende momenten tijdens het diner geplaagd door huivingwekkende hallucininaties, onder meer van de Griekse god Bacchus. En onderweg naar onze suite werd Klaus gegrepen door iets dat aan een klopgeest deed denken en die het woord ‘Tagesbuch’ (dagboek) in zijn oor fluisterde. En ook ’s nachts werden wij niet gespaard. Middenin de nacht werd onze nachtrust verstoord door ijzige kou in de kamer die afkomstig was van een blauw vuur in de haard. IJskristallen op het raam vertoonden wederom de gelijkenis van Bacchus. Het vuur spatte vervolgens uiteen en verschroeide mijn nachtjurk.
Het drong zojuist tot mij door dat ik in de vorige aantekening in mijn dagboek al ten tweede male speculeerde over het bestaan van en de aanwezigheid van een vampier in Venetië. De gebeurtenissen bij de klokkentoren deden Klaus en mij denken aan de beschrijving en de krachten van dergelijke wezens. En eerder ook de gepleegde moorden waar bovennatuurlijke kracht en het mogelijk drinken van bloed aan de orde kan zijn geweest, alsmede de waarneming en het signalement van de gestalte in de gondel ’s nachts. Ook die aanwijzingen zouden kunnen wijzen in de richting van een vampier en diens vermeende krachten.
En zojuist droomden zowel Klaus als ikzelf dat dit wezen mogelijk bij ons aan boord de trein is en bovenmatige interesse in ons of onze missie vertoont. En dat zette mij verder aan het denken. Worden wij misschien al langer door dit wezen achtervolgd? En indien dat het geval zou zijn, zouden we de identiteit ervan kunnen weten? Opeens gingen mijn gedachten terug naar de gebeurtenissen in Parijs en omgeving.
Het dochtertje van de dokter in Poissy schrok zich bijkans dood door de verschijning van een ‘monster’ bij haar slaapkamerraam op de eerste etage, waarvan naderhand ieder spoor ontbrak in de vers gevallen sneeuw.
Eveneens in Poissy…de ijskoude mistwolk op de plek waar wij de linkerarm van de Sedefkar Simulacrum vonden in die gruwelijke kelder onder het huis.
De beschrijvingen in het Charenton sanatorium van een vele decennia lang vergeten ‘dode man’ in de catacomben van het gesticht die op bovennatuurlijke wijze nog in leven bleek te zijn, geen eten tot zich nam, en niet veel later spoorloos verdween na de tragische dood van zijn dokter.
Ondanks dat ik de gestalte bovenin de toren niet direct herkende, gaan mijn gedachten terug naar dat sinistere portret in die duistere hoek in het Louvre, waarvan ik destijds al speculeerde over de identiteit van de geportretteerde.
Gisteren ontwaakten we onder een grauwe, grijze hemel. Een dik wolkendek onttrok de zon volledig uit het zicht. Daarnaast hing er een smerige, benzineachtige geur in de stad, afkomstig van de zwarte drek die steeds meer bezit aan het nemen was van de Venetiaanse grachten. Een groep studenten was watermonsters aan het nemen om de ranzige substantie te kunnen onderzoeken om de mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid ervan te achterhalen. Waar het vervuilde water in de dagen hiervoor nog grotendeels met het getijde wegspoelde, leek het inmiddels permanent bezit te hebben genomen van de wateren van de stad. Een unheimlich, beklemmend gevoel bekroop zowel mij als Klaus.
Onze bestemming deze ochtend was het Palazzo Rezzoniani, nabij het San Marco plein gelegen. En in het bijzonder de beelden die zich in de klokkentoren daar zouden moeten bevinden. Het bleek een statig, 15e-eeuws gebouw, drie etages hoog, met een toren die daar nog een aanzienlijk stuk bovenuit stak. Klaus en ik klopten aan en niet veel later later deed de huisbewaarder, een oude man met een merkbaar slecht linkerbeen, voor ons open. Een donatie voor het onderhoud bleek vereist om ons toegang te verschaffen tot de beelden in de toren. Vanuit de open binnenplaats konden wij onze eerste blik werpen op de beelden, acht stuks in totaal, zo ons werd verteld, die zich volgens een vast patroon ieder kwartier op tientallen meters boven ons over een richel buiten de toren bewogen. Na wat beleefdheden te hebben uitgewisseld kregen Klaus en ik de sleutels tot de toren en begonnen wij onze verkenning.
De trap naar boven was van steen, met gladde, ongelijke treden, hemelzijdank met een ijzeren railing. Een belangrijke aanwijzing dat wij op de juiste plaats waren, was een zeurende pijn die Klaus en ik beide direct ondervonden aan ons linkerbeen. Het kon welhaast niet anders dat het corresponderende ledemaat van de Sedefkar Simulacrum zich bovenin de toren moest bevinden. Voorzichtig beklommen wij de trap. Aan het begin van onze klim sloeg de klok voor het kwartier en kregen wij alvast een voorproef van de hoeveelheid geluid die de machinerie bovenin produceerde en resoneerde in onze beenderen. Bovenaan de trap bevond zich een houten luik dat toegang tot de machinekamer verschafte. Klaus ging als eerste naar binnen en ik volgde hem op de voet.
We bevonden ons daarna in een donkere ruimte. Dankzij onze zaklampen konden we zien dat het hier vergeven was van raderwerken, tandwielen, loopbanden en talloze andere onderdelen die de klok en de beeldenparade mogelijk maakten. En de acht automaten dus, waarvan er een uitgerust was met het vervloekte artefact. Een van de figuren bleek een leeuw, dus bleven er zeven beelden over om te onderzoeken. Alle bleken te zijn voorzien van een koperen laag, dus op het oog was het gezochte been niet direct te herkennen.
Maar voordat we alle beelden goed en wel hadden kunnen onderzoeken, sloeg de klok voor het hele uur. De hele kamer kwam in beweging en de luiken naar buiten gingen open. Tot mijn grote schrik zag ik buiten op de rand de gestalte van een lijkbleke man zitten die mij aanstaarde. En vrijwel direct kwam hij daarna in beweging. Maar hij schoot niet naar binnen, mijn kant op, maar sprong van de richel af, dertig meter naar beneden. Klaus had het niet gezien, maar ik zweer dat het niet mijn verbeelding was. Er was echter geen gelegenheid om verder te kijken, want door alle bewegende onderdelen was het onmogelijk om dichterbij te komen, maar moesten Klaus en ik een veilig heenkomen zoeken en wachten tot de kakofonie weer tot een einde was gekomen.
Nadat de rust was teruggekeerd bleken de luiken naar buiten weer vergrendeld te zijn en was het als gevolg niet mogelijk om te zien wat er met de vreemdeling was gebeurd. Verder met de zoektocht naar het been dus maar eerst. Dat bleek uiteindelijk onderdeel te zijn van het figuur van de soldaat. Met mijn haak kraste ik een stukje van de koperlaag weg en kwam de ons inmiddels bekende blauwe kleur tevoorschijn. Het been loswerken bleek nog een hele opgave, maar met behulp van een ijzeren staaf lukte het Klaus uiteindelijk toch.
Nadat Klaus mij het artefact aanreikte, gebeurde er echter iets dat mij tijdelijk tot waanzin heeft gedreven. Alle beelden in de kamer leken plotseling van een sinistere levensenergie te zijn bezeten en keken ons op een zodanige wijze aan dat ik op dat moment mijn verstand verloor en in blinde paniek de trap ben afgerend, het artefact onder mijn arm geklemd. Ik mag de Heilige Maagd bedanken dat ik niet ernstig ten val ben gekomen op de verraderlijke trap en zonder botbreuken beneden ben gekomen. Die arme, oude huisbewaarder heb ik ook nog omvergelopen, alvorens ik buiten op de binnenplaats weer bij zinnen kwam met Klaus aan mijn zijde.
Beneden bleek dat er zich tijdens mijn aanval van waanzin bovenin de toren een destructief spel had afgespeeld. De mechanismes die de poppen aandreven waren op hol geslagen en de binnenplaats lag bezaaid met onderdelen die naar beneden waren gevallen. En, eveneens zeer verontrustend, er was geen spoor te bekennen van de vreemdeling die ik boven had aanschouwd en tientallen meters in de diepte moest zijn gestort. Klaus meende echter wel een vleermuis te hebben gezien. Zou er waarheid schuilen in het boek van Bram Stoker? Door de dichte bewolking was er in het geheel niets van de zon te zien deze dag. Zouden dergelijke wezens echt bestaan? We hebben natuurlijk wel meer gezien inmiddels…
De vernieling van de klokkentoren was gepaard gegaan met een hoop kabaal en buiten het complex had er zich als gevolg een kleine mensenmassa verzameld. Het was tijd om ons uit de voeten te maken. Nadat Klaus nog wat extra geld in de handen van de verdwaasde huisbewaarder had geduwd, snelden wij ons een weg door de menigte, terug naar ons hotel.
Eenmaal daar aangekomen haastten we ons naar de hotelkamer om het artefact veilig op te bergen. Terwijl we daar mee bezig waren, werd er op de deur geklopt. De dienstmeid van Maria Stagliani wachtte op ons met een bericht van haar bazin. Het bleek dat er zich een klein drama aan het voltrekken was in Maria’s appartement. Ze werd gegijzeld door de fascistische zwarthemden en gedwongen om tegen haar zin in met Alberto Rossini te trouwen. Van haar minnaar Giorgio ontbrak vooralsnog ieder spoor. Ondanks dat Klaus tegensputterde, vond ik dat wij het aan onze stand verplicht waren om te proberen om de arme jongedame te helpen.
En dat lukte gelukkig, met wat hulp van Maria’s buurvrouw en een vriendelijke gondolier. Zo’n twee uur later waren we met een bijzonder smerige en compleet doorweekte Maria terug op de hotelkamer. Terwijl zij zich opfriste, gingen wij vervolgens op zoek naar haar geliefde Giorgio. In het etablissement waar hij zich met regelmaat ophield bleek hij net vertrokken, maar we konden hem gelukkig bijtijds bij Maria’s huis onderscheppen voordat de jonge communist dwaze dingen zou gaan doen. De reünie was hartverwarmend, en we drukten beiden op het hart om niet te talmen en om snel in het huwelijksbootje te stappen teneinde al deze ellende achter zich te laten.
De volgende dag was het de hoogste tijd om Venetië te achter ons te laten en verder te reizen richting Trieste. Op het station troffen we tot onze verbazing de heer Gremanci aan die blijkbaar achter onze verrichtingen was gekomen. Hij wenste ons veel succes met de rest van onze missie en waarschuwde ons voor de fascisten die hij ervan verdacht zich ook bezig te houden met het occulte. Gelukkig was ons succes was een klap in hun gezicht, zo verzekerde de beste man ons.
Eenmaal onderweg werden Klaus en ik beide overmand door slaap en beleefden we vervolgens dezelfde, verontrustende droom. Een sinistere, bleke figuur, gelijkend op de gestalte die ik bovenop de klokkentoren had aanschouwd, klauterende op bovennatuurlijke wijze langs de zijkant van de Orient Express om de passagiers in hun coupés te bespieden. Ook wij bevonden ons aan boord en werden nog veel nadrukkelijker gadegeslagen door deze entiteit. Kort daarna ontwaakten Klaus en ik weer, ervan overtuigd dat dit niet het laatste zal zijn wat we van dit wezen zullen zien.
Er is ons in de afgelopen dagen een hoop overkomen en er is veel om over te schrijven. Ik zou willen dat ik de tijd had om hier uitgebreid verslag van te doen, maar de tijd ontbreekt me helaas op dit moment. Vandaar deze relatief korte en bondige samenvatting, zodat ik in ieder geval de meest belangrijke gebeurtenissen en details heb genoteerd opdat ik ze niet vergeet.
Opgraving in de basiliek
Het linkerbeen van de Sedefkar Simulacrum bleek zich niet in de kapel van de Heilige Isidoro in de San Marco basiliek te bevinden. Na ons tot na sluitingstijd te hebben verstopt en alle daaropvolgende noeste inspanningen van Klaus ten spijt, werden wij teleurgesteld door het slechts aantreffen van een briefje in plaats van het porseleinen artefact. De tekst zal ik hieronder herhalen. De hemel zij geprezen dat we niet de nacht in de kille kathedraal hoefden door te brengen, maar dat het me lukte met de haak van mijn prothese het slot van een zijdeur open te krijgen. Als dieven (zonder buit) glipten wij weer weg in de nacht. Gelukkig gaf het zegel dat wij hadden aangetroffen op de envelop ons wel een nieuw aanknopingspunt.
God vergeef me, God help me, ik had het heel hard nodig, dus ik nam het met veel beven en gevoel van heiligschennis. Dat ik, een echte Venetiaan, onze heiligste plek zou schenden! Maar sommige behoeften staan zeker boven alle andere. Hij huilde en smeekte om hulp. Zijn beeld was gebroken, en ik had geen materiaal om het te repareren, want deze vervloekte oorlog maakt alles schaars. Ik herinnerde me eindelijk het oude verhaal. Wat kon ik anders doen? Zijn kleinzoon stierf op Monte Grappa, samen met mijn lieve Marco, en zijn beelden zijn het enige dat hem troost. God vergeef me, God vertrouw erop dat ik alleen mijn best probeer te doen.
De uitvaart van vader Stagliani
De uitvaart van Maria’s vader vond plaats op het San Michele kerkhof, gelegen op een eiland even buiten de stad gelegen. Zowel Alberto als Giorgio waren aanwezig, maar deden hun best elkaar te negeren. De plechtigheid verliep zonder incidenten, evenals de condoleance na afloop bij Maria’s residentie. Daar spraken wij Giorgio die het zegel uit de basiliek herkende als zijnde van de familie Gremanci, van originele poppenmakers, maar na de oorlog nu vooral actief als makers van protheses voor veteranen. Giorgio bood aan om ons naar hun werkplaats te brengen. Die tocht werd echter wreed verstoord doordat Alberto en zijn zwarthemden de gondolier onder druk hadden gezet om Giorgio een lesje te leren. Met enige moeite hebben we een gewelddadige escalatie weten te voorkomen.
De staat van het water
Het getijde brengt de laatste dagen veel zwarte, stinkende olieachtige drek in de grachten van de stad. De geur is op sommige momenten niet te harden, hetgeen onder meer de uitvaart van Maria’s vader ontsierde. Nu schijnt dit verschijnsel op zichzelf niet nieuw te zijn, maar de heftigheid ervan wel. De Venetianen beginnen reeds te fluisteren over vroeger tijden, over de tijd van de Zwarte Dood. Zou dit water ook ziektes met zich meedragen? Klaus en ik meenden op zeker moment een wezen in het water te ontwaren, een visachtige vorm met menselijke armen en handen. Vroeger zou ik het op mijn verbeeldingskracht hebben gegooid, maar tegenwoordig ben ik me er terdege van bewust dat er meer is tussen Hemel en aarde. Wat voor wezen zou het zijn en is er mogelijk een verband met het verontreinigde water?
Moorden in de nacht
Over mysterieuze wezens gesproken…er is een, naar ik sterk vermoed bovennatuurlijke, moordenaar actief in Venetië. Enkele dagen geleden is een man met bovennatuurlijke kracht aan een spies geregen en dag later is een andere man is uiteengereten teruggevonden in een gondel, maar zonder ook maar een spoor van bloed. Daarnaast zijn er waarnemingen gedaan van ‘de dood in een gondel’; een rijzige gestalte die zich met bovennatuurlijke snelheid in een gondel voortbewoog over de kanalen. Het blijft vooralsnog gissen naar wie of wat er precies verantwoordelijk voor deze gebeurtenissen, maar ik vraag me nu wel af of er een kern van waarheid schuilt in de roman van Bram Stoker. Zouden dergelijke wezens bestaan? Ik neig er in ieder geval naar om voor de zekerheid een paar bolletjes knoflook bij me te gaan dragen. Je weet tenslotte maar nooit.
De familie Gremanci
Het spoor naar het gezochte artefact leidde naar deze familie, die al eeuwen actief is als makers van poppen. De verschrikkingen van de oorlog en de voortschrijdende techniek had er in de afgelopen jaren voor gezorgd dat ze hun vakmanschap nu vooral inzetten voor andere doeleinden: het vervaardigheden van protheses. Evenals in mijn eigen thuisland zijn er in Italië namelijk vele soldaten teruggekeerd vanuit de loopgraven die ledematen moeten missen als gevolg van de gruwelen van de oorlog. Dit gegeven heeft gezorgd voor een grote innovatieve impuls op het gebied van protheses, waar ik zelf ook van profiteer. Bij aankomst bij de werkplaats zagen we verschillende veteranen met kunstmatige ledematen welke zich in kwaliteit prima konden meten met onze Amerikaanse producten.
Na enig rondvragen leerden we dat de grootvader van de huidige bedrijfsleider degene moet zijn geweest die verantwoordelijk is voor het meenemen van het artefact uit de kapel in de basiliek. In de bedrijfsboekhouding meenden we aanwijzingen te lezen dat het been mogelijk een nieuwe plaats heeft gevonden in het Palazzo Rezzoniani, waar zich ook een klokkentoren schijnt te bevinden. In de aantekeningen werd namelijk geschreven over ‘vrienden in de klokkentoren’ die mogelijk zijn beschadigd als gevolg van een blikseminslag. Ik vermoed dat met ‘vrienden’ naar poppen wordt verwezen. En gecombineerd met de informatie uit de brief kan het haast niet anders dat het door ons gezochte porseleinen been daar een nieuw thuis moet hebben gevonden. De bewuste familie die het gebouw altijd bewoond had bestaat naar het schijnt inmiddels niet meer, maar het gebouw zelf heeft nog wel een huisbewaarder, zo kwam ons ter ore. Morgen zullen we trachten om een bezoek te plegen.