Wanneer de essentie van het uitverkoren offer wordt onttrokken en uitgegoten in de groeven van het zegel, vangt zij haar ongeseënde reis aan. Geleid door de bezwerende gezangen van den bezweerder, beweegt deze bloedrode stroom met een doelmatigheid die de natuur tart, zich verheffend tegen de zwaartekracht terwijl zij de troon beklimt en de ingekerfde runen met karmozijn levensvuur omspant. Het bloed, nu een kanaal waardoor de levensessentie wordt overgedragen, vloeit als een rituele zalving over de getroffene heen, in striemende stromen neervallend alvorens zich wentelend neer te laten in de Beker der Vernieuwing.

— Uit John Dee's vertaling van de Necronomicon, 1596

Die idiote drooglegging

 

Hollywood Hotel, Los Angeles, California, februari 1920
Aan Victoria Southcliffe
208 Baker Street, Marylebone, Londen, Engeland

Lieve Victoria,

Ik schrijf je deze brief op de vooravond van mijn vertrek — mijn koffers staan half open, mijn kousen liggen overal behalve waar ze horen, en de piccolo beneden heeft mij al driemaal gevraagd of ik écht geen hulp nodig heb. Je ziet: alles is hier zoals je het van mij zou verwachten.

Je vroeg mij laatst waarom ik nu werkelijk besloten heb om mijn geld — en mijzelf — in dat Peruviaanse avontuur van Augustus Larkin te storten. Ik vertelde je dat verveling en een verlangen naar iets nieuws mij dreven, en dat is beslist waar. Maar nu ik hier zit, met mijn reisbiljet naast mij op het tafeltje, begin ik te vermoeden dat er nog een andere reden meespeelt: de drooglegging.

Ach, Victoria… wat een ellendige toestand. Het hing natuurlijk al geruime tijd in de lucht, maar sinds een maand is het hier wettelijk verboden om ook maar één druppel alcohol te verkopen, en de kranten schrijven erover alsof de engelen zelf zojuist zijn neergedaald om Amerika te redden van zijn eigen verdorvenheid. De hypocrisie is werkelijk prachtig om te aanschouwen.

Natuurlijk is het met geld, zoals bij mij, allesbehalve moeilijk om drank te verkrijgen. Men blijkt hier bijzonder vindingrijk: flessen in vioolkisten, flessen in bijbelhoezen, flessen in bezemkasten die ineens "voor personeel" zijn — het is bijna een kunstvorm. Maar zelfs al komt de drank nog steeds bij je terecht, het blijft een idiote gedachte dat mijn geliefde cocktails nu officieel verboden zijn.

Op zulke momenten vermoed ik dat de drooglegging mij wellicht méér richting dit avontuur heeft geduwd dan ik aanvankelijk wilde toegeven. Er is een grens aan wat een vrouw kan verdragen, en het volledig ontzeggen van gin behoort daar stellig toe.

Ik heb zelfs al gehoord van een zekere Morris' Bar in Lima — schijnbaar een begrip onder reizigers. Stel je mij eens voor, net aangekomen in Zuid-Amerika, zwetend onder de tropenzon, nippend aan iets fatsoenlijks dat niet in het geheim vanuit een achterkamertje is gesmokkeld.

Met al mijn genegenheid,