De vervloekte annalen verhalen, in de kil makende tongval der schaduwen, van de verdoemde geboorte dezer goddeloze stad in tijden antediluviaal, toen deze aardbol nog wemelde van afschuwelijke eigenaardigheden, verborgen voor het wakend verstand der geleerden van het heden. Iram, die eens in luisterrijke pracht boven de aarde prijkte, is thans slechts een getuigenis van kwaadaardige tweevoudigheid — een stad die zowel tot het aardse domein behoort als tot het rijk der esoterische schimmen. Bovenal staat zij bekend als het rijk der Naamlozen, gruwelen zó verwerpelijk dat zelfs de knagende afgrond waaruit zij zijn voortgekomen hen heeft verstoten.
— Uit John Dee's vertaling van de Necronomicon, 1596

Puno, Peru — 22 maart 1920
Terwijl ik mij nog beneden in de kelder ophield bij het ontzielde lichaam van Trinidad, begaven Johnathan, Percival en Henry zich naar het studeervertrek van professor Sánchez. Aldaar werd Luis de Mendoza nog eenmaal, zij het slechts vluchtig, achter het venster waargenomen, alvorens hij zich in allerijl uit de voeten maakte. Later trof men buiten, tegen de muur, bloederige klimsporen aan, alsof een mens – of iets wat daarvoor moest doorgaan – zich met wanhoop aan de loodrechte wand had vastgeklampt.

Toen professor Sánchez bij de ongelukkige Trinidad werd gebracht, bezweek hij bij het aanschouwen van het ontzielde lichaam aan een flauwte. Jackson Elias daarentegen stelde zich opmerkelijk anders op en trachtte de gruwelijke wijze waarop Trinidad om het leven was gebracht te bagatelliseren, alsof de gapende wond in haar borst zich langs redelijke, natuurlijke weg liet verklaren, terwijl het afschuwelijke bewijs hem recht in het gelaat staarde. Hij hechtte geen geloof aan hetgeen ik had waargenomen, betitelde mij als hysterisch en raadde Henry zelfs aan mij met geneesmiddelen tot bedaren te brengen.
In de opslagruimte vonden Percival en Henry, bij de kist waarin het staafje had berust dat Trinidad krampachtig in haar hand geklemd hield, het werk Final Confessions of Gaspar Figueroa, waarvan zij juist bezig was geweest een uittreksel te vervaardigen. Het bewuste staafje bleek een zogeheten bies te zijn, een onderdeel der versieringen van de oude tempel die in de zestiende eeuw door de conquistadores was bezocht. Aangezien het geschrift in het Spaans was gesteld, liet de verdere bestudering zich bij uitstek aan Percival toevertrouwen. Nader onderzoek van het bloed op de bies leerde ons voorts, dat zich daaraan niet enkel bloed, maar ook verschroeide huid had gehecht, alsof iemand zich eraan had gebrand.

Kort daarop verscheen de opgeroepen militaire politie, die een zichtbaar nerveus lid der universiteit tot kalmte maande en ons ondervroeg omtrent de toedracht der gebeurtenissen. Na een summiere verklaring werd ons gelast ons voorlopig op te houden in het kantoor van professor Sánchez, in afwachting van de komst van de inspecteur.
Daar vonden wij een kort ogenblik om op adem te komen en ons te beraden op hetgeen was voorgevallen en op de stappen die ons nog restten, niet in het minst wat het lot der expeditie betrof. Met Mendoza op reis gaan was vanzelfsprekend uitgesloten, doch ook Larkin zelf kwam ons verdacht voor. De professor verklaarde dat het Larkin was geweest die zijn eigen deelname had belet, ondanks diens uitvoerige kennis van het onderwerp.
Ook tegenover de corpulente en riekende inspecteur, die zich even later meldde, verkoos ik het verhaal te doen dat mij het meest verstandig voorkwam: dat Trinidad reeds overleden was toen ik haar aantrof en dat ik geen dader had gezien. Dat wij zelf geen schuld droegen, lag voor de hand, en om langdurige ondervragingen te vermijden leek deze lezing mij de veiligste. Men zou mij toch niet hebben geloofd indien ik de ware aard van hetgeen ik had aanschouwd onder woorden had gebracht.
Nadat de inspecteur zich had teruggetrokken met de mededeling dat wij beschikbaar dienden te blijven voor eventueel nader verhoor, bleven wij alleen achter in het kantoor. Jackson Elias bleef hardnekkig ontkennen dat Luis een kharisiri zou zijn, ondanks het feit dat wij vieren dit met eigen ogen hadden waargenomen. Mijn ergernis nam met de minuut toe.

Wij besloten Larkin op te zoeken in Hotel España, waar hij zijn intrek had genomen. Onderweg vingen wij herhaaldelijk een glimp op van Luis, die ons kennelijk had verkozen te volgen. Daaraan viel weinig te verhelpen. Bij het hotel werden wij aanvankelijk buiten ontvangen door een beschonken oude vrouw met een shotgun, die het onguur gespuis op afstand hield, en binnen door een barman die ons inlichtte over de kamer die Larkin had gehuurd.
Hij bleek aanwezig en deed, na enig aandringen, de deur voor ons open. Zijn toestand was niet veel beter dan de dag tevoren, en bovendien was hij slechts half gekleed, zodat een zonderlinge tatoeage op zijn borst zichtbaar werd. Op zijn bed lagen een injectiespuit en een flesje heroïne. Johnathan herkende het teken en deelde ons later mede dat het het embleem betrof van een Keniaanse sekte, bekend als de Cult of the Bloody Tongue. Terwijl Larkin zich enigszins presentabel trachtte te maken, wachtten wij beneden in de gelagkamer, waar wij tevens bemerkten dat Luis zich nog steeds buiten het hotel ophield.
Toen Larkin, wonder boven wonder enigszins opgeknapt, zich bij ons voegde, trachtten wij hem eerst ervan te overtuigen dat Luis de Mendoza geenszins was wie hij scheen te zijn. Toen hij dit bleef ontkennen, bezwoeren wij hem althans dat wij er met klem op aandrongen dat Mendoza onder geen beding deel zou uitmaken van onze expeditie. Met name Johnathan dwong hem de tatoeage onder ogen te zien. Op onverklaarbare wijze scheen Larkin zich niet eens bewust te zijn van het teken dat zijn borst ontsierde. Toen wij bleven aandringen, sloeg zijn stemming plotseling om.

Met een onheilig zware en dreunende stem barstte hij uit in woede; zijn ogen werden tot pikzwarte holen, alsof een demonische entiteit bezit van zijn lichaam had genomen. Terwijl wij ontsteld achteruit deinsden, stormde Luis de hotelbar binnen, een antieke sabel in de hand geklemd. Een fel zwaardgevecht met Johnathan ontspon zich, waarin mijn metgezel reeds spoedig dreigde te bezwijken. Hoewel ook ik en de anderen hem te hulp schoten, bleek de kharisiri ons in kracht verre te overtreffen, totdat John hem de bies uit de universiteit in het aangezicht wist te drukken. Het gouden voorwerp brandde terstond een zwart, rokend gat in zijn voorhoofd, dat zich vervolgens over zijn gelaat en lichaam uitbreidde, totdat er niets dan een kleine hoop as van hem restte.
Larkin – of hetgeen zich van hem meester had gemaakt – had dit alles tot dat moment met zichtbaar vermaak gadegeslagen. Doch met de vernietiging van Luis de Mendoza rees ook hij wederom op, enkele duimen boven de grond zwevend, en ontstak opnieuw in razernij. Gelukkig toonde Henry zich alert en deed met één welgemikt schot diens schedel uiteenspatten. Ook hier echter bleek geen menselijk overschot achter te blijven: het lichaam schrompelde ineen, totdat niets restte dan een krioelende hoop maden die uit zijn kleding tevoorschijn kroop.

Misselijk en tot het uiterste uitgeput liet ik mij in een stoel neervallen. Wat een onuitsprekelijk afgrijselijke ervaring. Toch waren er enkele schaarse lichtpunten: de monsters waren vernietigd, Jackson Elias schonk ons eindelijk geloof, en bovendien waren wij in het bezit gekomen van een prachtig antiek zwaard.
Doch wat nu met de expeditie? Wij besloten haar voort te zetten. Het kostte weinig moeite professor Sánchez te bewegen zich bij ons aan te sluiten; hij regelde bovendien de medewerking van enkele studenten ter ondersteuning. Maandag zouden wij per schip naar Mollendo vertrekken, om vandaar per nachttrein onze reis naar Puno te vervolgen.

Dinsdagochtend bereikten wij Puno. De stad maakte een aanmerkelijk armoediger indruk dan Lima: nagenoeg de enige stenen gebouwen waren het station en de kerk. Zij lag aan de oever van het Titicacameer, en een deel der bevolking leefde op aaneengesloten vlotten op het water. Onze doelen waren tweeërlei: het inslaan van voorraden voor de expeditie en het regelen van een ontmoeting met Nayra, een plaatselijke wijze vrouw en medicijnbereidster. Dat laatste werd verzorgd door Jackson en een student die van hier afkomstig was. Ikzelf besloot Percival te vergezellen naar de markt.
Dit voornemen liep echter anders uit dan verwacht. Op de markt werden wij weggelokt door een jong meisje, dat ons naar een afgelegener deel der stad voerde. Om ons heen doemden gaandeweg steeds meer ongure figuren op. Toen wij tot het inzicht kwamen dat terugkeer raadzaam was, veranderde het meisje plotseling in wederom zo’n kharisiri, met een kaak vol vlijmscherpe tanden. Wij namen de vlucht. Zij bleek niet alleen te zijn, en tijdens onze wanhopige tocht in de richting van de kerk en ons hotel werd ons pijnlijk duidelijk dat zich mogelijk zelfs tientallen van deze wezens in de stad ophielden.

In het hotel bleek professor Sánchez niet geheel bij zinnen te zijn, hetgeen onze achterdocht wekte dat hier eveneens een kharisiri zijn invloed had doen gelden. Ook de priester in de kerk kon ons niet van dienst zijn; onze hoop dat dit heiligdom een veilig toevluchtsoord zou vormen tegen de vampierachtige wezens bleek ijdel. Het teruggekeerde monsterlijke meisje wandelde ongestoord de kerk binnen. Wat voor stad was dit, en hoe zouden wij hier levend aan ontkomen? De twijfel of wij de expeditie niet alsnog dienden af te blazen, groeide met de minuut.
Enigermate vestigden wij onze hoop op de ontmoeting met Nayra, die tegen het begin van de avond zou plaatsvinden. Wij werden verwacht op een der drijvende eilanden en met een vlot overgezet. Nayra toonde zich een vriendelijk ogende oude vrouw. Uit het gesprek dat zij in het Spaans met Percival voerde, begreep ik dat het gestolen goud uit de piramide die wij zochten verband zou kunnen houden met de toegenomen bedrijvigheid der kharisiri. Zij verhaalde tevens van de oude inheemse volkeren, hun goden en overleveringen. Mij werd althans duidelijk dat er, naast onze oorspronkelijke doelstellingen, een bijkomend belang was ontstaan: het terugdringen van het kwaad dat deze wezens vertegenwoordigden.

Vervolgens werden wij uitgenodigd deel te nemen aan een soort ceremonie, waarbij men ons gedroogd fruit te eten gaf. Toen zonk de wereld om mij heen weg en werd ik bevangen door een hallucinatie – of wellicht een visioen. Ik zag een lange gang met meerdere deuren in wat, te oordelen naar het dikke tapijt, een weelderig gebouw moest zijn. Aan het einde der gang bevond zich een groene deur met daarop het nummer 4a. Op het ogenblik dat ik trachtte deze te openen, weerklonk het oorverdovende ratelen van een Tommy gun. En toen keerde de wereld terug.

Sessie 2 — 14 februari 2026