Aldus wordt Nyarlathotep, de Sluipende Verwarring, afgetekend — een smet op de fundamenten van het bestaan zelve, een anathema voor het geordende universum. Zijn nalatenschap openbaart zich in gruwelijke verwoesting en een waanzin die de rede ontwricht; zijn merkteken een etterende vlek op de door den Tijd verweerde bladzijden van de kroniek der eeuwigheid. Hem trachten te doorgronden is niets minder dan het roekeloos richten van den blik in het pulserende hart der Stygische Duisternis, een sidderende aanschouwing van den hemelschen afgrond, om daarin weerspiegeld te zien de onvoorstelbare verschrikking die in haar peilloze diepten schuilt.

— Uit John Dee's vertaling van de Necronomicon, 1596

 

Dagboek van Cordelia Cavendish

 

De vloek van de piramide der maden

Aan boord van de S.S. Jericho — 10 april 1920

Nog immer ontgaat het mij ten enenmale wat zich te Puno en in die vervloekte piramide hoog in de Andes heeft afgespeeld. De taferelen waarvan ik getuige ben geweest, zullen mij nimmer verlaten en mij tot aan het einde mijner dagen vergezellen. Telkens wanneer ik mijn spiegelbeeld aanschouw, herinnert het litteken in mijn hals mij aan hetgeen ik heb doorstaan: aan de kharisiri, aan de reusachtige maden in de catacomben onder de tempel, en bovenal aan die aanwezigheid, welke zich met geen pen laat beschrijven.

Hoewel ik mij thans wederom op zee bevind, op weg naar Amerika, blijft mijn geest onwrikbaar verankerd in Peru. Hoezeer ik ook wens te vergeten wat ik heb gezien en doorstaan, ik besef dat zulks ijdel is. Derhalve vertrouw ik mijn herinneringen toe aan deze bladzijden, opdat zij niet geheel verloren gaan in de mist van mijn geest.

Terwijl het visioen, teweeggebracht door het gedroogde fruit van Nayra, mijn zinnen nog benevelde, werden wij ons in de tent op het drijvende eiland gewaar dat er iets niet in orde was. Nayra verkeerde nog in een halfslaap, toen wij opschrikten door een gestalte die zich een weg door de rieten wand trachtte te banen. Nauwelijks een ogenblik later verscheen een tweede figuur in de opening van de tent. Wij werden aangevallen — kharisiri!

Ondanks onze verwarde toestand grepen wij naar wapens. Zwaarden en geweren werden getrokken en een wanhopige strijd ontbrandde. Weldra voegde zich een derde wezen bij het gevecht: het monsterlijke meisje dat wij eerder hadden aanschouwd. In het heetst der strijd wist Percival met een welgemikt schot het hoofd van een der wezens te verbrijzelen. Het meisje daarentegen richtte haar blik op mij, en ik voelde hoe een vreemde, indringende kracht zich meester trachtte te maken van mijn geest. Doch op datzelfde moment begon het amulet van mijn moeder te gloeien, en de duistere invloed week terug. Het amulet leek krachten te bevatten waar ik geen weet van had.

Ik hervond mijn kalmte, richtte mijn geweer en loste een schot. De kogel trof haar in de hals en scheidde haar hoofd van haar lichaam.

Intussen verkeerde Johnathan in groot gevaar. Het laatste wezen had zijn tanden in diens hals gezet. Een welgeplaatst schot van Henry bracht ons tot het besef dat het monster zijn eigen verwondingen genas door Johnathan levenskracht te onttrekken. Met grote moeite wist Johnathan zich los te rukken, doch zijn toestand was zorgwekkend. Nauwelijks had hij zich hersteld, of ook ik werd besprongen. De tanden van het wezen drongen zich in mijn hals en ik voelde hoe het zowel mijn kracht ontnam als iets onheilspellends in mijn aderen bracht.

Met het zwaard van De Mendoza nog in mijn hand wist Percival mij het gouden biesje toe te spelen. In wanhoop drukte ik het tegen het wezen aan. Onmiddellijk begon het te verschrompelen, zijn lichaam oplossend tot as en krioelende maden.

Uit mijn ooghoek zag ik hoe het afgehakte hoofd van het meisje zich zelfstandig naar haar lichaam bewoog. Ik waarschuwde Henry, die erger wist te voorkomen. Doch mijn eigen wond brandde hevig, en het gevoel dat zich iets onder mijn huid bewoog was onmiskenbaar. In een laatste poging drukte ik de bies tegen mijn hals. Met een sissend geluid sloot de wond zich, en de onrust onder mijn huid verstomde. Ik reikte het voorwerp vervolgens aan Johnathan, die hetzelfde deed.

Maar rust werd ons niet gegund, want in de opening van de tent verscheen Luis de Mendoza. Hoe dit mogelijk was, ontgaat mij nog immer; wij hadden hem immers tot stof zien vergaan. Met een ijzige vastberadenheid eiste hij zijn zwaard terug. Te verbaasd om weerstand te bieden, gaf ik het hem. Met een triomfantelijke blik verklaarde hij dat onze paden zich spoedig wederom zouden kruisen, waarna hij verdween.

Nayra, inmiddels ontwaakt, noemde hem zonder aarzeling "de duivel." Tot onze verbazing bleek zij over krachten te beschikken die ons onbekend waren. Zij bereidde een drank die onze wonden op wonderbaarlijke wijze genas. Helaas kwam haar hulp te laat voor drie leden van haar stam, die buiten door De Mendoza waren gedood.

Bij het ochtendgloren keerden wij terug naar Puno, waar wij werden opgewacht door professor Sanchez en een detachement gewapende politie. De studenten die wij in Lima hadden ingehuurd bleken gedurende de nacht te zijn vermoord, en men verdacht ons van deze daad, terwijl het ons duidelijk was dat de kharisiri verantwoordelijk moesten zijn. Ons protest vond geen gehoor, en wij werden in hechtenis genomen. Wij verkozen niet te vluchten, daar de gemoederen onder de bevolking te verhit waren en het gevaar van een lynchpartij reëel leek. Pas na lange uren en dankzij Nayra's getuigenis werd ons alibi bevestigd.

In de kerk werd onze aandacht gevestigd op de toestand van professor Sánchez, die reeds eerder door een kharisiri was verwond. In zijn lichaam groeide iets dat niet menselijk was, een larve. De gouden bies bood hier geen uitkomst. Na beraad besloten wij hem terug te brengen naar het eiland, waar de gecombineerde kennis en kunde van Henry en Nayra erin slaagde zijn leven te redden. Uitgeput brachten wij de rest van de nacht daar door, zodat we de volgende dag voldoende uitgerust waren om de trek in de jungle beginnen.

De daaropvolgende dagen voerde onze tocht ons eerst langs de traag stromende rivier, waarna wij ons genoodzaakt zagen het binnenland in te trekken. Het pad werd al spoedig minder begaanbaar; de begroeiing dichter, de lucht zwaarder, en het licht schaarser naarmate het bladerdak zich boven ons sloot. Het was alsof de jungle zelf ons trachtte tegen te houden.

Reeds in een vroeg stadium werden wij herinnerd aan het feit dat het kwaad dat wij hadden aanschouwd zich niet beperkte tot Puno en Lima alleen. In de nacht ontmoetten wij een vader en zijn zoon, die in grote angst verkeerden. De jongeman vertoonde dezelfde tekenen die wij eerder bij professor Sánchez hadden gezien — een wond die niet slechts lichamelijk was, doch een voorbode van iets dat van binnenuit groeide. Ondanks onze inspanningen ontglipte het leven hem nog voor het ochtendgloren. Zijn vader bleef achter in een staat van wanhoop die ik niet licht zal vergeten.

Na verloop van dagen begon het landschap zich te verheffen. De vochtige hitte maakte plaats voor een kille, snijdende wind. De lucht werd ijler, en een dichte mist hing als een sluier over het gebergte. Iedere stap werd zwaarder dan de vorige. Professor Sánchez had zichtbaar moeite om het tempo bij te houden. Ondanks de regelmatige ondersteuning van Jackson Elias, waren wij genoodzaakt regelmatig halt te houden om hem op adem te laten komen.

Uiteindelijk bereikten wij de vallei. Daar verhief zich de tempel — een massieve, dreigende piramide die als een wonde in het landschap leek te staan. Aan de voet van een waterval lag het wrak van de militaire expeditie van twee jaar tevoren, als een stilzwijgende waarschuwing voor hen die haar pad zouden volgen. De lucht was doordrongen van een afgrijselijke stank, een mengeling van verrotting en een prikkelende, chemische geur die de keel deed branden. Geen enkel dier waagde zich in deze plaats. Het was alsof het leven zelf hier geweken was.

Wij doorzochten het schip slechts oppervlakkig. De aanblik der lichamen — in staat van ontbinding — was reeds voldoende om ons te overtuigen dat wij hier niet langer wilden verblijven dan strikt noodzakelijk. Percy slaagde erin het boordkanon in werking te stellen, doch wij hoopten vurig dat wij daarvan geen gebruik zouden hoeven maken Een echt uitgebreide verkenning van het schip besloten we achterwege te laten, nadat ik verschillende malen over de smerige, gladde vloer was uitgegleden en Johnathan de mogelijke aanwezigheid van boobytraps had gevonden.

Onze aandacht richtte zich op de tempel.

De klim voerde ons langs een oude, verweerde trap, geflankeerd door uitgehouwen gezichten die, ondanks hun ouderdom, een verontrustende levendigheid leken te bezitten. Hun blikken volgden ons terwijl wij ons moeizaam omhoog werkten. De stank werd sterker, verstikkender, en menigmaal moest ik mij inspannen om mijn maaginhoud te bedwingen.

Boven aangekomen ontdekten wij meerdere openingen die vermoedelijk naar de catacomben leidden. Alvorens af te dalen, besloten wij een poging te wagen de buitenzijde van de piramide te beklimmen. Deze onderneming bleek echter van korte duur. Hoog boven ons ontwaarden wij een pulserende, etterende krater, waaruit een gelige substantie sijpelde. De grond trilde licht, en uit de opening klonken geluiden die zich aan iedere rationele verklaring onttrokken — een mengeling van gerochel en een diep, resonant dreunen dat men eerder voelde dan hoorde. Wij hadden daar niets te zoeken en keerden terug om ons naar de openingen die naar beneden voerden te begeven.

De afdaling in de catacomben was een stap in een andere wereld. Onze olielampen wierpen flakkerende schaduwen op de lage, benauwde gangen, waarin de lucht zwaar hing van zwavel en verrotting. Overal waren vliegen. Onze voortgang werd abrupt onderbroken door een reusachtig rotsblok dat met donderend geweld op ons af rolde. Slechts ternauwernood wisten wij ons in veiligheid te brengen. In een andere kamer troffen wij een kist aan, gevuld met zowel oude als recente rijkdommen — een beloning die wij besloten niet te weerstaan.

Even later klonk achter ons een stem die wij onmiddellijk herkenden. Luis de Mendoza. Hij daagde ons uit, zijn woorden druipend van spot en dreiging. Doch tot onze verrassing bleek hij ons niet te kunnen volgen in dit deel van het heiligdom. Alsof een onzichtbare grens hem tegenhield. Met vloeken en verwensingen bleef hij achter, terwijl wij onze weg vervolgden.

Eindelijk bereikten wij de plaats waar de gouden versiering ooit was verwijderd. Doch de ware nachtmerrie openbaarde zich pas toen wij trachtten ons doel te volbrengen. Uit de duisternis kwamen zij — maden, zo groot als een mensenarm, hun lichamen pulserend en glanzend in het schaarse licht. Zij vielen ons aan met een onverzadigbare honger. Met mijn machete en Percival's geweer hielden wij hen op afstand, terwijl Johnathan zich een weg baande naar de wand.

Op het moment dat hij de gouden versiering herstelde, begon de aarde zelf te beven. Een diep, alles doordringend gerommel vulde de catacomben. Wij vluchtten. Onze terugtocht was een chaos van instortend gesteente, verstikkende dampen en het aanhoudende gevoel dat iets ons op de hielen zat.

Onderweg troffen wij De Mendoza wederom. Doch ditmaal was hij niet langer de jager. Voor onze ogen zagen wij zijn lichaam verschrompelen, alsof de tijd zelf zich op hem wreekte. Zijn kracht week, zijn vorm verviel. Zonder aarzeling ontnamen Johnathan en ik hem zijn zwaarden. Hij bood geen weerstand meer. Wat er van hem restte, lieten wij achter.

Ik wens niet terug te denken aan, noch te beschrijven, hoe we er uiteindelijk in slaagden om de buitenlucht weer te bereiken. De herinnering is te afgrijselijk om in samenhang te beschrijven. Maar wij wisten ons in veiligheid te brengen.

De terugtocht naar Puno verliep, tot onze grote opluchting, zonder verdere incidenten. Na aankomst leek de stad langzaam tot zichzelf te komen. De onheilige energie van inwoners die in het geheim kharisiri bleken te zijn geweest, was aan het falen en de monsterlijke aanwezigheid in het dorp was bezig te verdwijnen. De natuurlijke balans die er ooit was keerde terug.

Wij verlieten Puno spoedig en keerden terug naar Lima. Daar namen wij afscheid van professor Sánchez en scheepten ons in voor de terugreis naar Amerika. Weg van deze plaats. Weg van deze expeditie, die ons weliswaar rijkdommen had gebracht, doch bovenal een erfenis van nachtmerries.

Hier, aan boord van de Jericho, vind ik eindelijk de tijd om te overdenken wat wij hebben aanschouwd. Mijn begrip van de wereld is onherroepelijk veranderd. Wat ik voorheen als bijgeloof of mythe beschouwde, blijkt mogelijk slechts een gebrekkige benaming voor waarheden die ons verstand te boven gaan.

Welke andere verschrikkingen gaan nog schuil buiten het bereik van ons weten? Welke entiteiten bewegen zich in de schaduw van onze werkelijkheid, ongezien — doch allerminst afwezig? En wat, in Gods naam, is de ware aard van hetgeen men de Father of Maggots noemt? Het zijn vragen waarop ik geen antwoord heb.

Zelfs nu, terwijl de oceaan zich kalm rondom mij uitstrekt, bekruipt mij de gedachte dat wij niet enkel waarnemers zijn geweest, maar wellicht ook… opgemerkt. Dat er iets is dat ons heeft gezien — en zich onze gezichten herinnert.

Ik verlang naar de ogenschijnlijke veiligheid van Hollywood, naar het vertrouwde decor van Los Angeles, waar het leven zich nog laat voordoen als begrijpelijk en ordelijk. Doch ik weet dat dit slechts schijn zal zijn. Want wat eenmaal gezien is, kan niet meer ongezien worden. Mijn wereld is voorgoed veranderd.

 

 

Sessie 3 — 22 maart 2026