Tijdens de betoverde schemering van de metropool voelde ik soms een spookachtige eenzaamheid, en ik zag die ook in anderen — arme jonge klerken die voor etalages rondhingen, wachtend tot het tijd was voor een eenzaam diner in een restaurant — jonge klerken in de avondschemer, die de meest aangrijpende momenten van nacht en leven verspilden.

Opnieuw, om acht uur, wanneer de donkere straten rond de veertiger nummers vol stonden met bonzende taxi’s, op weg naar het theaterdistrict, voelde ik een zwaarte in mijn hart. Gestalten bogen zich naar elkaar toe in de taxi’s terwijl zij wachtten, stemmen zongen, en er klonk gelach om ongehoorde grappen, terwijl oplichtende sigaretten onbegrijpelijke gebaren binnenin omlijnden. Terwijl ik mij voorstelde dat ook ik mij haastte naar vrolijk vertier en deelde in hun intieme opwinding, wenste ik hun het beste.

— F. Scott Fitzgerald, The Great Gatsby, 1925

 

Dagboek van Cordelia Cavendish

 

Bloednacht in het Chelsea Hotel

Waldorf Astoria Hotel, New York City — 15 januari 1925

Op 12 januari arriveerde ik in New York en nam ik mijn intrek in het Waldorf Astoria, dat nog altijd geldt als een van de voornaamste hotels van deze stad. John was reeds per automobiel uit Arkham gearriveerd, terwijl Percy per schip uit Londen was overgekomen. Wij troffen elkaar de volgende ochtend bij het ontbijt en bespraken de reden van onze komst. Over twee dagen zouden wij Jackson Elias ontmoeten, die ons met enige aandrang naar New York had laten komen. Daar wij echter nog tijd hadden en geen van ons veel wist van de zogeheten Carlyle-expeditie, besloten wij eerst daarover informatie te verzamelen.

Onze eerste gang voerde ons naar het gebouw van de New York Times. Het leek ons een goede plaats om eenvoudig toegang te krijgen tot oude berichten en archieven. We onderschatten echter de wanorde waarin dergelijke zaken kennelijk worden bewaard en de grootte van het archief. Het zoeken bleek al spoedig alsof men een speld in een hooiberg trachtte te vinden. De aanwezige journalisten herkenden de naam Carlyle nog vaag, maar konden ons weinig verder helpen.

Echter, door enige logische aannames te doen over de periode waarin de expeditie zouden moeten hebben plaatsgevonden, konden we wel een aanname doen in welke jaren dat zou mogelijk moeten zijn geweest. Mijn redenatie bleek juist en kwamen wij terecht bij de jaargangen 1919 en 1920, waar wij inderdaad het spoor vonden.

De expeditie bleek gefinancierd door ene Roger Carlyle, een jonge man van vierentwintig jaar, rijk erfgenaam en in de society vooral bekend als levensgenieter. In april 1919 vertrok hij uit New York met een gezelschap geleerden en avonturiers. Eerst reisde men naar Egypte, later verloor men elk spoor in Kenia.

Onze belangstelling te was gewekt, maar we waren ervan overtuigd dat er meer informatie te vinden moest zijn. Dus ook deze volgende dag besloten wij geheel te besteden aan nader onderzoek. Langzaam wisten wij uit losse berichten een samenhangend beeld op te bouwen.

De expeditie was in het voorjaar van 1919 uit Amerika vertrokken en had eerst halt gehouden in Londen, mogelijk niet volgens het oorspronkelijke plan. Daarna reisde men door naar Cairo. Daar zou men mogelijk aanwijzingen hebben gevonden omtrent de legendarische schatten van koning Salomo. Zulke verhalen trekken doorgaans vooral fantasten en fortuinzoekers aan, maar Carlyle beschikte klaarblijkelijk over geld genoeg om er gevolg aan te geven. Vervolgens trok men verder naar Kenia. En daar ging het gruwelijk mis.

Volgens de berichten verdween de gehele expeditie spoorloos. Pas maanden later arriveerde Erica Carlyle, zuster van Roger, om onderzoek te doen naar haar vermiste broer. Met hulp van leden van de Kikuyu-stam werd later vastgesteld dat de expeditie vermoedelijk was afgeslacht door leden van een andere stam, de Nandi.

Vijf mannen uit die stam werden gearresteerd en opgehangen. Tot het einde toe weigerden zij echter uit te leggen waarom zij tot de slachting waren overgegaan. In de kranten sprak men gemakkelijk over stammenhaat en rassenspanningen. Gezien de verwijzing van Jackson naar de gebeurtenissen in Peru en de dingen die wij later zouden leren, neem ik inmiddels geen genoegen meer met zulke eenvoudige verklaringen. Ik ben ervan overtuigd dat er nog veel duisterder zaken aan de hand zijn.

 

5 april 1919

CARLYLE EXPEDITION EMBARKS FOR LONDON

Led by the fabulously wealthy playboy Roger Carlyle, the Carlyle Expedition departed this morning for Southampton aboard the British steamship Imperial Standard.

Contrary to earlier reports, the expedition will perform researches in London under the auspices of the Penhew Foundation before continuing to Egypt next month.

Readers may recall the enormous party which Mr. Carlyle, now 24, gave at the Waldorf-Astoria Hotel upon reaching his majority. Since then, scandalous and indelicate behavior have become Carlyle’s trademark, but he has never become tarnished in the eyes of Manhattanites.

Members of the expedition have been reluctant to reveal their purpose in Egypt.

Other Expedition Members

Renowned Egyptologist Sir Aubrey Penhew is assistant leader of the team, and in charge of excavations. Dr. Robert Huston, a fashionable "Freudian" psychologist, accompanies the expedition to pursue parallel researches into ancient pictographs.

Miss Hypatia Masters, linked in the past to Carlyle, will act as photographer and archivist. Mr. Jack Brady, intimate to Mr. Carlyle, accompanies the group as general factotum.

Additional members may be secured while in London.

 

4 juli 1919

CARLYLE DEPARTS EGYPT

CAIRO (AP) - Sir Aubrey Penhew, temporary spokesman for the Carlyle Expedition, indicated Thursday that the leaders are taking ship to East Africa for a "well-earned rest."

Sir Aubrey debunked rumors that the expedition had discovered clues to the legendary wealth of the lost mines of King Solomon, maintaining that the party was going on safari "in respite from our sandy labors."

Roger Carlyle, wealthy New York leader of the expedition, was unavailable for comment, still suffering from his recent sunstroke.

Discussing that unfortunate incident, local experts declared Egypt entirely too hot for Anglo-Saxons at this time of year, and suggested that the young American had not been well served by his democratic enthusiasm, rumored to have led him to personally wield pick and shovel.

 

31 juli 1919

IMPORTANT VISITORS

MOMBASA (Reuters) - Leading members of an American archaeological expedition arrived here on holiday from digs in Egypt's Nile Valley.

Our Undersecretary, Mr. Royston Whittingdon, held a welcoming dinner for them at Collingswood House, where the wit of Sir Aubrey Penhew, expedition co-leader, was much in evidence. Accompanying Sir Aubrey are the youthful financier Roger Carlyle and medical doctor Robert Huston, as well as socialite Miss Hypatia Masters.

The party leaves inland today, for Nairobi and hunting.

 

15 oktober 1919

CARLYLE EXPEDITION FEARED LOST

MOMBASA (Reuters) - Uplands police representatives today asked for public assistance concerning the possible disappearance of the Carlyle Expedition. No word of the party has been received in nearly two months.

The group includes wealthy playboy Roger Carlyle and four other American citizens, as well as Egyptologist Sir Aubrey Penhew of the United Kingdom.

The expedition left Nairobi on August 3rd, ostensibly on safari, but rumor insisted that they actually were after legendary Biblical treasures. Carlyle and his party reportedly intended to explore portions of the Great Rift Valley, to the northwest of Nairobi.

 

11 maart 1920

ERICA CARLYLE ARRIVES IN AFRICA

MOMBASA (Reuters) - In response to clues, Miss Erica Carlyle, sister to the American leader of the lost Carlyle Expedition, arrived in port today aboard the Egyptian vessel Fount of Life.

Several Kikuyu-villager reports recently have been received concerning the putative massacre of unnamed whites near the Aberdare Forest.

Miss Carlyle declared her intention to find her brother, regardless of the effort needed. She brought with her the nucleus of a large expedition.

Detailing agents to coordinate supply and other activities with Colony representatives, Miss Carlyle and the remainder of her party depart for Nairobi tomorrow.

Her companion, Mrs. Victoria Post, indirectly emphasized Miss Carlyle’s purposefulness by recounting the rigors of the voyage.

 

24 mei 1920

CARLYLE MASSACRE CONFIRMED

NAIROBI (Reuters) - The massacre of the long-missing Carlyle Expedition was confirmed today by district police representatives.

Roger Carlyle, New York’s rolicking playboy, is counted among the dead.

Authorities blame hostile Nandi tribesmen for the shocking murders. Remains of at least two dozen expedition members and bearers are thought found in a remote region of the Aberdare Forest.

Erica Carlyle, Roger Carlyle’s sister and apparent heiress to the Carlyle family fortune, led the dangerous search for her brother and his party. She credited Kikuyu tribesmen for the discovery, though police actually found the site.

Among other expedition members believed lost are Sir Aubrey Penhew, noted Egyptologist; New York socialite Hypatia Masters; and Dr. Robert Huston. Many bearers also are reported dead.

 

19 juni 1920

MURDERERS HANGED

NAIROBI (Reuters) - Five Nandi tribesmen, convicted ringleaders of the vicious Carlyle Expedition massacre, were executed this morning after a short, expertly-conducted trial.

To the end, the tribesmen steadfastly refused to reveal why they had slaughtered Mr. Carlyle and his companions. Mr. Harvis, acting for the Colony, cleverly implied throughout the trial that the massacre was racial in motivation, and that the fair-skinned victims were subject to the most savage treatment, preventing all but the most preliminary identification of the remains.

Miss Erica Carlyle, defeated in her efforts to rescue her brother, left several weeks ago, but is surely comforted now by the triumph of justice.

 

De volgende dag begaven wij ons naar Prospero House, waar Jackson Elias ons had ontboden. Tot onze verrassing troffen wij hem daar niet aan. In plaats daarvan werden wij ontvangen door de heer Jonah Kensington, eigenaar en hoofdredacteur van het blad dat vanuit dit gebouw wordt uitgegeven. Hij verklaarde Jackson al enige tijd niet gezien te hebben, maar wist wel dat deze zich intensief had beziggehouden met onderzoek naar de Carlyle-expeditie. Daarna liet hij ons wachten terwijl hij zich met andere zaken bezighield.

Na enige tijd rinkelde de telefoon. Percy nam op. Het was Jackson. Zijn stem klonk gejaagd en zichtbaar overstuur. Hij sprak slechts kort en verzocht ons dringend om die avond om acht uur naar het Chelsea Hotel te komen. Daarna werd de verbinding verbroken.

Wij hadden dus nog de gehele middag voor ons. Achteraf moet ik erkennen dat wij die tijd niet bijzonder verstandig hebben benut. Ik besteedde meer tijd dan nodig aan de aanschaf van een prachtige nertsbontjas, waarna wij rustig ergens dineerden. Had ik toen geweten wat ons wachtte, dan was ik liever veel eerder gegaan.

Het Chelsea Hotel was levendig en rumoerig. Uit de benedenzaal klonk live jazzmuziek en het publiek was gemengd, maar veelal zwart van samenstelling, wat men niet overal in New York aantreft, zeker niet in hotels. Bij de receptie vernamen wij dat de heer Elias verbleef in kamer A op de vierde verdieping.

Toen drong het nog niet tot mij door.

Wij namen de lift en betraden de gang. Percy stond reeds op het punt aan te kloppen, toen mij plotseling het visioen uit Peru te binnen schoot: de lange gang, de deur, en het ratelen van een machinegeweer.

“Stop,” riep ik, luider dan bedoeld.

Percy hield zijn hand in. Wij luisterden aandachtig. Eerst bleef het stil. Toen klonk uit de kamer plotseling het geluid van een omvallende kast.

Percy aarzelde geen moment en trapte de deur open.

Wat wij daar aantroffen, zal mij nog lang bijblijven. Jackson Elias lag op de vloer, roerloos, in een plas bloed. Over hem heen gebogen stond een naakte zwarte man met een groot bebloed mes in de hand. Zijn gezicht werd bedekt door een rood masker met slierten stof eraan. Elders in de kamer bevonden zich nog twee mannen, eveneens naakt en gemaskerd — een zwarte en een blanke. Eén van hen hield een Thompson-machinegeweer vast. Onze plotselinge entree had hen verrast.

Tot mijn ergernis was ik slecht voorbereid op een gevecht. In New York draagt men nu eenmaal geen jachtgeweer of Toledo-zwaard over straat, zodat beide nog veilig in ons hotel lagen. Gelukkig had John een extra pistool bij zich, dat hij mij snel overhandigde, terwijl hij het zwaard uit zijn wandelstok trok. Mijn vaardigheid met dergelijke kleine vuurwapens is echter beperkt.

De strijd die daarop volgde leek een eeuwigheid te duren, maar duurde in werkelijk niet eens een minuut.

Het salvo uit het machinegeweer miste ons allen op wonderlijke wijze en trof in plaats daarvan een van de aanvallers zelf. Percy’s zware pistool velde een tweede man. De derde vond zijn einde door een combinatie van Johns zwaard en mijn schot.

Toen de rook optrok, bleef slechts stilte over.

Voor Jackson kwam alle hulp te laat. In zijn voorhoofd was een teken gekerfd — hetzelfde symbool dat wij eerder op de borst van Augustus Larkin hadden gezien terwijl hij bezeten leek door een onbekende entiteit. Ook de drie aanvallers droegen datzelfde teken, zij het als tatoeage.

Nog vóór de door het hotel gewaarschuwde politie arriveerde, doorzochten wij de kamer. Jackson had duidelijk onderzoek gedaan en verschillende documenten verzameld.

Wij vonden onder meer een brief van ene Warren Besart aan Roger Carlyle uit maart 1919, een strooibiljet over 'The Cult of Darkness', een visitekaartje van de Penhew Foundation in Londen, een wazige foto van de haven van Shanghai, een luciferdoosje van de 'Stumbling Tiger Bar' en een kaartje van Emerson Imports hier in New York, met op de achterzijde de naam 'Silas N’Kwane'.

Aanwijzingen genoeg, doch voor later onderzoek, want kort daarop verscheen de politie, onder leiding van luitenant Martin Poole. Bij het zien van het symbool meende ik een moment van herkenning op zijn gezicht te bespeuren. Helaas kregen wij geen gelegenheid hem daarover te ondervragen, want eerst dienden wij zelf verantwoording af te leggen voor vier lijken in een hotelkamer.

Tot onze opluchting bleek de waarheid ditmaal voldoende. Wij werden niet gearresteerd, maar kregen bevel de stad niet te verlaten zolang het onderzoek liep.

Toen men ons uiteindelijk liet gaan, ving ik nog juist op hoe inspecteur Poole half fluisterend zei: “Dan heeft Hilton Adams hier misschien toch niets mee te maken...”

Die naam zegt mij vooralsnog niets. Maar het doet mij wel vermoeden dat dit mogelijk niet de eerste keer is geweest hier in New York dat zulke moorden zijn gepleegd door waanzinnigen die dit teken dragen — of het in hun slachtoffers kerven.

 

 

Sessie 4 — 25 april 2026