Ik werd journalist op mijn zeventiende. Een paar uur later zag ik mijn eerste dode
lichaam, dat nogal… kleurrijk was. Toen leerde ik dat je kunt blijven overgeven,
zelfs als je niets meer hebt om over te geven.
— Terry Pratchett
Dagboek van Cordelia Cavendish
Een wereldwijd complot openbaart zich
Waldorf Astoria Hotel, New York City — 17 januari 1925
De ochtend begon met de New York Times en een bericht daarin over de moord
op Jackson Elias, dat vanzelfsprekend de krant had gehaald. Wat direct onze
aandacht trok was de vermelding van een mogelijke samenhang met de beruchte
Harlem Murders van het voorgaande jaar. Daarbij stuitten wij opnieuw op een
naam die wij de avond tevoren reeds uit de mond van inspecteur Poole hadden
opgevangen: Hilton Adams.
AUTHOR MURDERED BY BRUTAL KILLERS
Body found in Hotel Chelsea
Possible connection to Harlem murders.
By REBECCA SHOSENBURG
Manhattan, N.Y., Jan 15. - Author Jackson Elias has been found murdered
in his Chelsea Hotel room. The killers are reported to have used long
knives to butcher their victim.
Lt. Martin Poole of the Murder Squad stated that he
is exploring possible connections between this murder and similar slayings
in Harlem last year. Local resident Hilton Adams was convicted of the
Harlem murders in October last and is awaiting execution in Sing Sing.
Lt. Poole offered no opinion whether this new murder indicates that Adams
had accomplices or is innocent of the earlier crimes.
Adams bleek de man die voor die eerdere moorden ter dood was veroordeeld. Indien
de moorden op Elias werkelijk verband hielden met dezelfde daders of hetzelfde
symbool, dan zou dat betekenen dat Adams mogelijk al die tijd onschuldig gevangen
had gezeten.
Terwijl wij de mogelijke implicaties daarvan bespraken, verscheen een medewerker
van het hotel met de mededeling dat er een telefoongesprek was voor het FitzRoy
gezelschap. De beller bleek Jonah Kensington te zijn, de uitgever van Jackson Elias.
Dezelfde man die ons gisteren zo koel had ontvangen. Zijn toon was ditmaal
aanzienlijk vriendelijker. Hij liet ons weten dat Jacksons begrafenis reeds de
volgende ochtend zou plaatsvinden, om negen uur op de begraafplaats Cypress Hills.
John herkende een van de namen die wij hadden aangetroffen op een van de
documenten uit Jacksons hotelkamer: Anthony Cowles. Omdat John bekend was met de
Miskatonic Universiteit, besloot hij onmiddellijk navraag te doen en leerde hij
inderdaad dat professor Cowles nog steeds verbonden was aan de universiteit. Wij
noteerden de naam zorgvuldig. Het leek een spoor dat later mogelijk van belang
kon blijken.
Tijdens het ontbijt kregen wij vervolgens onverwacht gezelschap. Nog voordat
iemand van ons kon protesteren, schoof een jonge vrouw bij onze tafel aan alsof
zij daartoe reeds was uitgenodigd. Zij stelde zich voor als Rebecca Shosenburg,
journaliste van de New York Times en auteur van het artikel dat wij zojuist
hadden gelezen.
Het feit dat zij ons moeiteloos had weten te vinden, ondanks het ontbreken van
iedere publieke vermelding van onze betrokkenheid bij de gebeurtenissen van de
vorige avond, deed vermoeden dat zij over uitstekende contacten binnen het
politiekorps beschikte.
Mevrouw Shosenburg bleek een buitengewoon spraakzaam persoon. Opmerkelijk
genoeg leek zij aanzienlijk meer belangstelling te hebben voor het uiten van haar
eigen meningen dan voor het verzamelen van die van anderen. Daardoor leerden wij
gedurende het gesprek vermoedelijk meer van haar dan zij van ons.
Zij bleek er heilig van overtuigd te zijn dat Hilton Adams onschuldig was.
Volgens haar had hij tijdens de Harlem Murders juist buurtwachten georganiseerd
om de bewoners te beschermen. De werkelijke schuldige, althans volgens Rebecca,
moest elders gezocht worden.
Ze was in ieder geval aanzienlijk minder te spreken over ene Walter Robson,
een politie-inspecteur van New York, die het onderzoek had geleid. Zij beschreef
hem als een man die zonder aarzeling een onschuldige zwarte man had opgeofferd op
basis van slechts flinterdun bewijs. Of haar beschuldigingen terecht waren wist ik
niet, maar haar overtuiging leek oprecht.
Bovendien bood zij aan een ontmoeting te regelen met Hilton Adams' weduwe,
Millie Adams, en mogelijk zelfs een bezoek aan Adams zelf in de gevangenis. Hoewel
ik haar gezelschap enigszins vermoeiend vond, moest ik erkennen dat zij mogelijk
een waardevolle bondgenoot kon blijken.
Nadat Rebecca eindelijk afscheid had genomen, besloot Henry zijn geluk te
beproeven bij een andere bron. Hij trachtte telefonisch contact te leggen met Erica
Carlyle. Dat bleek eenvoudiger gedacht dan gedaan.
In plaats van mevrouw Carlyle zelf kreeg hij haar assistent, Bradley Grey, aan
de lijn. Deze maakte direct duidelijk dat Erica Carlyle het erg druk had en weinig
belangstelling had voor gesprekken over haar overleden broer. Voor zover hem bekend
beschouwde zij die kwestie als afgesloten. Wel vernamen wij dat de familie Carlyle
zich bezighield met internationale wapenhandel, een gegeven dat ik met enige
belangstelling noteerde. Ik betwijfelde echter sterk of wij hiermee het laatste van
Erica Carlyle hadden gehoord.
Tegen het einde van de ochtend besloten wij een andere aanwijzing op te volgen
en een bezoek te brengen aan Emerson Imports, een firma waarvan wij het visitekaartje
in Jacksons kamer hadden aangetroffen. Het bedrijf bevond zich in het havengebied
aan de Hudson. Ons keurige voorkomen vormde een scherp contrast met de havenarbeiders
die zich tussen de pakhuizen bewogen.
De eigenaar, Arthur Emerson, ontving ons aanvankelijk met enige achterdocht. Zijn
houding veranderde echter merkbaar toen wij hem vertelden over Jacksons dood. Kennelijk
had hij een zekere sympathie voor hem opgevat. Hij vertelde ons dat Jackson enige tijd
geleden navraag had gedaan naar een handelaar uit Mombasa genaamd Ahja Singh. Ook
herkende hij onmiddellijk de naam Silas N'Kwane. Volgens Emerson was deze verbonden aan
een curiositeitenwinkel in Harlem die bekend stond als de Juju House.
Aanvankelijk overwogen wij diezelfde middag een bezoek aan Harlem te brengen, maar
besloten eerst te lunchen nabij Central Park. Intussen werd het weer steeds slechter.
Donkere wolken pakten zich samen boven de stad en dikke sneeuwvlokken begonnen neer te
dalen. Ik moet bekennen dat ik op dat moment bijzonder tevreden was met de warmte die
mijn nieuwe bontjas bood.
Tijdens onze lunch informeerden wij voorzichtig naar de Juju House. De reacties die
wij ontvingen waren weinig geruststellend. De naam werd geassocieerd met voodoo,
duistere rituelen en andere zaken die men liever op afstand hield. Het zou zomaar een
hoofdkwartier van de cultisten kunnen zijn. Dat alleen was voor ons voldoende reden om
voorlopig nog enige voorzichtigheid te betrachten.
In plaats daarvan besloten wij een bezoek te brengen aan inspecteur Martin Poole.
Wij hoopten van hem meer te vernemen over het mysterieuze symbool, de Harlem Murders
en inspecteur Walter Robson.
Poole ontving ons beleefd genoeg, maar bleek minder spraakzaam dan Rebecca. Hij
verklaarde dat hij destijds niet de leiding had gehad over het onderzoek naar de
Harlem Murders; dat was inderdaad Robson geweest. Wel bevestigde hij dat hetzelfde
symbool destijds in meerdere slachtoffers was aangetroffen. Hij gaf nog net niet
direct toe dat hij zelf ook dacht dat er een sekte of cultus achter zat, maar mij
was het wel duidelijk. Eveneens liet hij doorschemeren dat hij zijn twijfels had
over zowel Robsons integriteit als over de schuld van Hilton Adams.
Veel meer wilde hij echter niet zeggen. Integendeel, hij raadde ons nadrukkelijk
aan ons met andere zaken bezig te houden. Voor onze eigen veiligheid. Dat advies
had precies het tegenovergestelde effect van hetgeen hij vermoedelijk had beoogd.
Nog voor de stad volledig ontwaakt was, begaven wij ons de volgende dag naar
de begraafplaats Cypress Hills voor de uitvaart van Jackson Elias. De plechtigheid
was klein en enigszins treurig. Naast onszelf waren slechts enkele andere aanwezigen
verschenen: Jonah Kensington, inspecteur Poole, Jackson’s notaris genaamd Carlton
Ramsey, en de onvermijdelijke Rebecca Shosenburg. De predikant maakte een bijzonder
verwarde indruk en zou misschien beter voor een andere roeping moeten kiezen.
Na afloop werden wij aangesproken door Carlton Ramsey. Terwijl Rebecca op
karakteristieke wijze het gesprek probeerde te volgen, deelde Ramsey ons een
mededeling mee die ons allen verraste. Jackson Elias had ons aangewezen als zijn
erfgenamen. Een afspraak werd gemaakt voor diezelfde middag, zodat zijn testament
officieel kon worden voorgelezen. Rebecca nodigde zichzelf zonder enige aarzeling
eveneens uit.
Nog voordat wij daarvan bekomen waren, zocht ook Jonah Kensington ons op. Hij
bood zijn verontschuldigingen aan voor zijn eerdere afstandelijke houding en verzocht
ons later die dag naar zijn kantoor te komen. Hij beweerde enkele zaken te bezitten
die mogelijk van belang waren voor Jacksons onderzoek. Onze agenda voor de rest van
de dag was direct gevuld
Na de lunch begaven wij ons eerst naar het kantoor van Carlton Ramsey. Het kostte
enige moeite Rebecca buiten gehoorsafstand te houden, maar uiteindelijk slaagden wij
daarin en konden wij het testament in besloten kring aanhoren.
Wat wij daar vernamen, maakte diepe indruk. Jackson had een aanzienlijk vermogen
nagelaten, maar geld bleek niet de kern van zijn boodschap. Zijn testament was in
feite een afscheidsbrief.
Greetings from beyond the grave!
By now you know that all I’ve really left you is a whole heap of trouble. If I were still around to have an opinion on the matter, I would understand if you decided to walk away from it all. Hell, if I’m dead right now, that’s a good indication I should have done the same. But you know me too well, and I know you too well. If you were the kind of person who always did the sensible thing, we wouldn’t be such good friends.
You have been there when I needed you in the past and I hope you will be again, even if it’s too late to save me. I’ve been pulling threads all over the world and while most of them are still unraveling, I think I’m onto something big. Carlton and Jonah can fill in more of the details for you—I’ve left some of my papers and notes with them, which should help you work out which hornets’ nests you need to poke next.
I trust you to bring my killers to justice. Of course, I’m assuming I was murdered—it will be just plain embarrassing if I was run over by a trolley car! Follow my investigation to its bloody end, and seek out the truth. I’m not asking you to finish my book—none of you can write worth a damn.
Your friend, always,
Jackson
Hij schreef dat hij een groot internationaal complot op het spoor was gekomen.
Hij had zijn eigen dood voorzien en vertrouwde erop dat wij zijn werk zouden voortzetten
wanneer hem iets zou overkomen. Hij vroeg ons het onderzoek voort te zetten. Ondanks de
gevaren die inmiddels overduidelijk waren geworden, stemden wij zonder veel aarzeling
toe. Het was het minste wat wij voor onze vriend konden doen. Bovendien moet ik eerlijk
erkennen dat mijn nieuwsgierigheid inmiddels minstens zo sterk was als mijn voorzichtigheid.
Wij verlieten het kantoor en direct bleek hoe terecht Jacksons waarschuwingen waren
geweest. Met gierende banden schoot een geparkeerde auto vooruit en zag ik een raam
opengaan. Daarachter verscheen de loop van een Thompson-machinegeweer. Het daaropvolgende
salvo vulde de straat met een oorverdovend ratelen. Op wonderlijke wijze slaagden wij
erin dekking te zoeken voordat de kogels ons bereikten.
Rebecca had minder geluk. Het salvo trof de arme vrouw onder meer vol in haar hoofd en
zij stortte levenloos neer op het asfalt.
Met het magazijn leeg, verdween de auto even snel als zij verschenen was. Geen van ons
kreeg een goede blik op de inzittenden. Wij konden slechts machteloos toezien. Hoe
irritant ik haar soms ook vond, Rebecca Shosenburg had deze dood allerminst verdiend.
Het was, voor mij althans, bovendien overduidelijk dat niet zij, maar wij het werkelijke
doelwit waren.
De politie arriveerde spoedig en bleek onder leiding te staan van niemand minder
dan Walter Robson. Gelukkig bewees Carlton Ramsey direct zijn waarde. Met
bewonderenswaardige behendigheid wist hij te voorkomen dat wij urenlang werden
vastgehouden voor verhoor. Bovendien wist hij Robson ervan te overtuigen dat Rebecca's
beroep haar meer dan genoeg vijanden had kunnen bezorgen.
Hoe graag ik Robson ook had willen ondervragen over Hilton Adams en de Harlem
Murders, dit was duidelijk niet het juiste moment. Dat zou moeten wachten.
Nog behoorlijk aangeslagen zetten wij later die middag onze afspraken voort en
begaven ons naar Prospero House. Daar troffen wij een aanzienlijk vriendelijkere
Jonah Kensington aan dan tijdens ons eerste bezoek. Hij stelde ons toegang ter
beschikking tot Jacksons correspondentie en onderzoeksarchieven.
Wat wij daar aantroffen was even fascinerend als verontrustend. Jackson had
aanwijzingen verzameld die erop leken te wijzen dat de verschillende leden van de
Carlyle-expeditie mogelijk nog in leven waren. Hij schreef over geheime
organisaties, duistere machten en gebeurtenissen die zich moeilijk met gezond
verstand lieten verklaren.
August 8, 1924
Nairobi
Dear Jonah,
Big news! There is a possibility that not all of the members of the Carlyle Expedition died. I have a lead. Though the motivations here deny the cult angle, the natives sing a different tune. You wouldn't believe the stories! Some juicy notes coming your way!
This one may make us all rich!
Blood and kisses,
J.
Set One of the Nairobi Notes sets forth the offices, officials, and tribes which Elias visited, searching for material concerning cults and cult rituals. Elias mentions Roger Corydon, the Colonial Undersecretary for Internal Affairs; however, he notes that nothing conclusive was learned. Elias discounts the official version of the Carlyle massacre.
Set Two describes his trip to the massacre site. He notes particularly that the earth there is completely barren, and that all the tribes of the region avoid the place, saying it is cursed by the God of the Black Wind, whose home is the nearby mountain top.
Set Three is an interview with a Johnstone Kenyatta, who says that the Carlyle murders may have been performed by the cult of the Bloody Tongue. He says that the cult is reputedly based in the mountains, and that its high priestess is a part of the Mountain of the Black Wind. Elias is politely skeptical, but Kenyatta insists upon the point. In quotes, Elias records that regional tribes fear and hate the Bloody Tongue, that tribal magic is of no protection against the cult, and that the cult’s god is not of Africa.
Set Four follows up on the Kenyatta interview. Elias confirms from several good sources that the Bloody Tongue exists, though he finds no firsthand evidence of it. Tales include children stolen for sacrifice, and creatures with great wings are said to come down from the Mountain of the Black Wind to carry people off. The cult worships a god unknown to folklorists, one fitting no traditional African pattern. Elias lists “Sam Mariga, railway station,” “Neville Jermyn, Dr. Starret, Lt. Selkirk, and Col. Endicott as people he questioned.
Set Five is a single sheet reminding Elias that the Cairo-based portion of the Carlyle itinerary must be examined carefully. He believes that the reason which prompted Carlyle’s Kenyan side trip is on the Nile.
Set Six is a long interview with Lt. Mark Selkirk, leader of the men who actually found the remains of the Carlyle Expedition. Importantly, Selkirk says that the bodies were remarkably undecayed for the length of time which they lay in the open—“almost as if decay itself wouldn’t come near the place.” Secondly, the victims had been torn apart, as if by animals, though what sorts of animals would pull apart bodies so systematically he could not guess. “Unimaginable. Inexplicable.” Selkirk agrees that the Nandis may have had something to do with the episode, but suspects that the charges against the ringleaders were trumped-up. “It wouldn’t be the first time,” he says cynically. Finally, Selkirk confirms that no caucasians were found among the dead—only the corpses of the Kenyan bearers were scattered across the barren plain, despite what was claimed at the inquest.
Set Seven is another single sheet. Elias ran into “Nails” Nelson at the Victoria Bar in Nairobi. Nelson had been a mercenary for the Italians on the Somali-Abyssinian border, and had escaped into Kenya after double-crossing his employers. Nelson claimed to have seen Jack Brady alive in Hong Kong, less than two years before Elias was in Kenya and long after the Kenyan court declared that Brady and the rest of the expedition were dead. Brady was friendly, though guarded and taciturn. Nelson didn’t press the conversation. This report only strengthened Elias’ belief that the principal members of the expedition might still live.
Set Eight discusses a possible structure for the Carlyle book, but is mostly featureless, with entries like “tell what happened” and “explain why.”
In sommige van zijn laatste notities klonk Jackson ook niet langer als de
nuchtere onderzoeker die wij hadden gekend. Het was alsof de kennis die hij had
vergaard langzaam zijn tol was gaan eisen.
Many names, many forms, but all the same and toward one end...
Need help...
Too big, too ghastly. These dreams... dreams like Carlyle's?
Check that psychoanalyst's files... All of them survived!
They'll open the gate. Why?... so the power and the danger is real. They...
Many threads beginning...
The books are in Carlyle's safe...
Coming for me. Will the ocean protect?
Ho Ho, no quitters now. Must tell, and make readers BELIEVE. Should I scream for them? Let's scream together...
In wat voor avontuur hebben wij ons eigenlijk gestort? Wie zijn onze tegenstanders
werkelijk en waar zijn ze op uit? Een poort die zij willen openen? Met wie of wat—met
vele namen en in vele gedaanten—hebben we te maken?
Ik ben ervan overtuigd dat wij nog maar aan het begin staan.