
The Dude: Man. They were nihilists, man.
Walter: Huh?
The Dude: They kept saying they believe in nothing.
Walter: Nihilists! Fuck me. I mean, say what you want about the tenets of the
dark cult of Nyarlathotep, Dude, at least it's an ethos.
— The Big Lebowski (1998)

Waldorf Astoria Hotel, New York City — 18 januari 1925
Tijdens het ontbijt besloten wij dat deze dag geheel in het teken zou staan van één doel: de onschuld van Hilton Adams aantonen. Ons voornemen was daarom naar Harlem te reizen, zijn vrouw Millie Adams op te zoeken en tegelijkertijd verder onderzoek te doen naar de Harlem Murders en de geheimzinnige Juju House.
Nauwelijks hadden wij het hotel verlaten, of wij bemerkten dat wij reeds in de gaten werden gehouden.
Aan de overzijde van de straat meende ik inspecteur Walter Robson te herkennen. Nauwelijks had hij ons gezien, of hij wenkte drie politieagenten, die zich onmiddellijk naar ons begaven. Hun boodschap was weinig subtiel. In duidelijke bewoordingen maakten zij ons duidelijk dat wij er verstandig aan deden ons niet langer te bemoeien met "de zaken van de zwartjes in Harlem". De toon was ronduit dreigend. Een ogenblik vreesde ik zelfs dat John gearresteerd zou worden wegens een vermeende belediging van een agent, maar uiteindelijk liep het met een waarschuwing af.

De boodschap was echter helder. Walter Robson wenste onder geen beding dat wij ons verder in Harlem zouden begeven.
Wij besloten dat advies vriendelijk naast ons neer te leggen.
Om eventuele achtervolgers af te schudden verlieten wij het hotel via de garage en vertrokken met twee automobielen richting Harlem.
Onze eerste halte was een grote kerk aan de rand van Central Park. De dienstdoende pastoor bleek een vriendelijke, zij het wat curieuze man. Veel nieuws leverde het gesprek niet op. Wel bevestigde hij mijn vermoeden dat Millie Adams geen lid was van zijn gemeente. Indien wij haar wilden vinden, moesten wij ons wenden tot een kleinere kerk dieper in Harlem.
Daar aangekomen moesten wij wachten tot de kerkdienst ten einde was, maar daarna werden ook daar vriendelijk ontvangen. Ook deze predikant kende Millie Adams, al bleek ook zij geen vaste kerkganger te zijn. Hij kon ons echter wel vertellen dat zij geregeld contact had met de Harlem Hellfighters, een groep van zwarte oorlogsveteranen die tijdens de Grote Oorlog aan Franse zijde hadden gevochten. In Europa waren zij onderscheiden voor hun moed; in hun eigen vaderland wachtte hun voornamelijk achterstelling en wantrouwen.

Het hoofdkwartier van de Hellfighters bleek verrassend eenvoudig te vinden. Percy's militaire achtergrond opende vrijwel onmiddellijk deuren. Zodra de mannen vernamen dat ook hij aan het front had gediend, verdwenen de eerste reserves. De figuren met de rode maskers, voorzien van lange, tongvormige stroken stof, waren hun niet onbekend. Zij werden al geruime tijd in verband gebracht met zowel de moorden in Harlem als de Juju House.
Maar nog opmerkelijker was een andere mededeling. Volgens meerdere Hellfighters was inspecteur Walter Robson zelf meer dan eens gezien in de nabijheid van diezelfde Juju House. Ik kon niet nalaten mij af te vragen welke banden Robson met deze cult onderhield. Was hij er onderdeel van? Of, misschien aannemelijker, ontving hij geld van hen? Mocht dat ooit bewezen kunnen worden, dan zou Hilton Adams wellicht alsnog zijn vrijheid kunnen herwinnen.
De Hellfighters verklaarden zich bovendien bereid ons te helpen indien wij daadwerkelijk tegen de cult wilden optreden. Van hen ontvingen wij tevens het adres van Millie Adams.
Haar woning bleek onder bescherming van enkele Hellfighters te staan. De wachters spraken zonder aarzeling over cultisten, alsof dit voor hen allang geen theorie meer was.
Millie zelf maakte een kwetsbare indruk. Zij leek vermoeid, verstrooid en ouder dan haar jaren deden vermoeden. Veel nieuwe informatie kon zij ons helaas niet verschaffen. Tot onze spijt maakten wij haar bovendien zichtbaar van streek toen wij haar moesten vertellen dat Rebecca Shosenburg was vermoord.
Toch bleek ons bezoek niet vergeefs. Millie overhandigde ons een briefje waarop een datum en tijd stonden vermeld voor een bezoek aan haar echtgenoot Hilton Adams in de gevangenis. Overmorgen.
Later in de middag besloten wij eindelijk zelf een kijkje te nemen bij de Juju House. Voorzichtigheid leek ons daarbij geboden.
Percy en ik betraden de winkel in vermomming en onder de namen Pierre en Penelope, in de hoop zo min mogelijk argwaan te wekken. Achter de toonbank stond niemand minder dan Silas N'Kwame, een fragiele, oudere man die weinig dreigends over zich had.

De winkel zelf lag vol met Afrikaanse maskers, beelden, fetisjen en andere curiositeiten. Voor zover ik kon beoordelen betrof het grotendeels authentieke voorwerpen. Om onze aanwezigheid geloofwaardig te maken kochten Percy en ik beiden een kleinigheid.
Niets in de winkel wees erop dat hier openlijk iets illegaals plaatsvond, maar we bleven ervan overtuigd dat dat geenszins het geval was.
Nog diezelfde avond keerden wij terug.
Het plan was eenvoudig genoeg: inbreken, onderzoeken en weer vertrekken voordat iemand ons zou opmerken.
Dankzij Johns opmerkelijke talent voor sloten waren wij binnen snel en eenvoudig binnen zonder veel geluid te maken. Al spoedig ontdekten wij dat de bovenverdiepingen bewoond werden, terwijl N'Kwame zelf, alleen, achter de winkel op de begane grond verbleef.
Tijdens een korte verkenning van het naastgelegen, leegstaande pand bracht Henry een opmerkelijk voorstel naar voren.
Waarom zouden wij N'Kwame niet eenvoudig buiten gevecht stellen? Zijn voorraad heroïne leek hem daarvoor uitstekend geschikt. En aangezien ik het meest stil bleek te zijn in ons gezelschap, was de eer daarvoor aan mij. Welja.
Het plan werkte beter dan ik had durven hopen. De oude man sliep reeds en het, bijna, ongemerkt toedienen van de injectie verliep probleemloos. Tot dusver leek alles opmerkelijk voorspoedig te verlopen.
Wij doorzochten eerst het vertrek achter de winkel en de spullen achter de toonbank. Daar troffen wij opnieuw tal van Afrikaanse kunstvoorwerpen aan, alsmede een administratie waaruit niets onregelmatigs viel af te leiden. Alles leek nog steeds het beeld van een curieuze, maar volkomen legitieme handelszaak te bevestigen.
Totdat wij het luik naar de kelder openden.
Van diep beneden steeg het geluid op van gezang. Het waren woorden die ik niet verstond, maar één woord meende ik duidelijk te onderscheiden. Nyarlathotep.
Onderaan de lange stenen trap bevond zich een onderaardse ruimte waarin drie personen zich hadden verzameld rond een duister ritueel. De middelste van hen was duidelijk hun leider.

Hij droeg een zware metalen kroon met lange scherpe punten, een mantel van luipaardhuid en handschoenen voorzien van lange tijgerklauwen. Rond zijn gestalte hing een nauwelijks zichtbare trilling in de lucht, alsof de ruimte zelf zich aan zijn aanwezigheid stoorde.
Wij gunden hem geen tijd. Het gevecht barstte onmiddellijk los.
Spoedig bleek dat de priester beschikte over krachten die alle natuurlijke verklaringen tartten. Met gebaren en onverstaanbare woorden riep hij wezens op die onmogelijk uit deze wereld afkomstig konden zijn. Zwarte, gevleugelde gestalten, bijna zo groot als een mens.

Mijn Toledo Salamanca leek nauwelijks vat te hebben op hun taaie, schubachtige huid. Waar het staal hen wel wist te verwonden, vloeide geen bloed, maar kropen dikke witte maden uit de wonden. Een afzichtelijk gezicht.
John wist zich ondertussen een weg naar de priester te banen, terwijl Henry en Percy hem dekking gaven met hun vuurwapens.
Temidden van deze chaos begon zich achter de priester nog iets anders te bewegen. Langzaam schoof een enorm stenen deksel opzij. Daaronder gaapte een diepe put.
Nadat wij de twee overige cultisten en één van de gevleugelde monsters hadden gedood, wist John de hogepriester dodelijk te treffen. Op hetzelfde ogenblik verdwenen de overgebleven wezens alsof zij nooit hadden bestaan.
Maar hetgeen zich in de put bevond, werd nu zichtbaar.
Ik aarzel zelfs nu nog om het te beschrijven. Het was een kolossale, pulserende massa van menselijke resten, ledematen en half vergane lichamen die in elkaar leken te zijn opgegaan tot één afzichtelijk geheel.

Alleen met een salvo van kogels wisten wij het terug de diepte in te drijven. Met gezamenlijke krachten schoven wij het stenen deksel weer op zijn plaats.
Toen wij de ruimte verder onderzochten, ontdekten wij een klein vertrek waarin een voorraad rode maskers en gewaden lag opgeslagen. Daarnaast vonden wij een boek genaamd Africa's Dark Sects en een bijzonder afschrikwekkend hoofddeksel met masker, voorzien van vier monsterlijke gezichten.


Wij besloten dit blasfemische masker, het boek, verschillende gewaden en rode maskers mee te nemen, evenals de kroon, de mantel en de metalen klauwen van de overleden priester.
Bij nadere bestudering van het hoofddeksel meende John enkele symbolen te herkennen die hij eerder was tegengekomen in geschriften over uiterst oude rituelen. Indien zijn vermoeden juist is, betreft een voorwerp dat dient om contact te leggen met entiteiten die de mensheid beter onbekend kan laten. Wij achten het daarom verstandig er met de grootst mogelijke voorzichtigheid mee om te gaan.
Na enig beraad besloten wij Silas N'Kwame in leven te laten. Zijn dood zou de zaak tegen Hilton Adams mogelijk kunnen bemoeilijken. Of dat de juiste beslissing is geweest, zal de tijd moeten uitwijzen.
Ongetwijfeld hebben wij deze nacht een zware slag toegebracht aan de cult. Maar ik vrees dat dit nog niet voldoende zal zijn om een onschuldige man zijn vrijheid terug te geven.
Sessie 6 — 28 juni 2026