
Hollywood Hotel, Los Angeles, California, 10 april 1920
"De voorwaarden van de Transvaalse verordening kunnen naar het oordeel van de regering van Zijne Majesteit niet als slavernij worden aangemerkt; althans, dat woord in zijn volle betekenis zou niet kunnen worden toegepast zonder het risico van terminologische onnauwkeurigheid."
Terminologische onnauwkeurigheid. Wat een verrukkelijke uitdrukking is dat toch. Winston Churchill bezigde haar in 1906 in het Lagerhuis, en ik moet bekennen dat ik zelden een fraaier voorbeeld heb gehoord van de Britse gave om iets te verhullen onder een laagje beschaafde welsprekendheid. Het soort formulering dat in Engeland nog als staatsmanschap doorgaat, en hier in Amerika vermoedelijk zou worden ingeruild voor iets luidruchtigers en aanzienlijk minder subtiels.
Ik moest eraan denken toen het mij te binnen schoot dat ik Rupert vanzelfsprekend in kennis moest stellen van het feit dat ik weer — min of meer heelhuids — op Amerikaanse bodem ben teruggekeerd.
Het spreekt vanzelf dat ik hem niet de volledige waarheid kan schrijven. Wat zich in Peru heeft afgespeeld, was van een zodanige verontrustende en lugubere aard dat ik het nauwelijks voor mijzelf op papier kan verdragen, laat staan voor mijn broer, die zich bij het minste vermoeden van de echte waarheid geroepen zou voelen om mij per omgaande terug te bevelen naar Salisbury.
Nee — wat zich in die Peruaanse hel heeft voltrokken, blijft vooralsnog tussen mijn reisgenoten en mijzelf.
Ik heb derhalve besloten hem geen uitvoerige brief te schrijven, althans nog niet. In plaats daarvan achtte ik het verstandiger mijn thuiskomst kort en geruststellend te melden per telegram — bondig, fatsoenlijk, en vooral zó geformuleerd dat hij er geen aanleiding in zou vinden om onmiddellijk de halve Atlantische Oceaan over te willen varen om mij persoonlijk op te halen.
